Hoofdtekst
Daar was ooch eens e vrommes dat vrijde met ne weerwolf en onderwegen moest hij eens achter de gracht voor 'n kommissie te doen. 'As och nu seffes ne beer of nen hond tegemoet komt dan gooit ge hem die rooie maaldoek (zakdoek) maar in ze gezicht' zei hij. En zij trienselde al zo stillekes verder door en ja, seffes kwam haar nen hond tegemoet en die verreet en verscheurde die maaldoek en hij was weer weg. En toen de man weer terug achter de gracht uit gekropen kwam, toen zei hij: 'Hebt ge iet gezien?' en hij moest zo eens lachen en daarmee kwamen zijn tanden bloot en zag zij dat hij de vezelen ervan tussen zijn tanden hangen had.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die met zijn vriendin een wandeling maakte, sprak plots: "Ik moet even een boodschap doen. Als er een beer of een hond op je af komt, gooi dan deze rode zakdoek naar zijn snuit". Toen het meisje wat verderop een hond zag, werd de zakdoek helemaal verscheurd door het dier. Zodra de jongen weer tevoorschijn kwam, vroeg hij: "En, heb je iets gezien?", terwijl hij zijn tanden bloot lachte. Tot haar grote ontsteltenis zag het meisje dat haar vriend de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (noord-west)
292
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Peer   
