Hoofdtekst
Kaartlegster uit Sinaai.‘k Ben eens naar Sinao geweest, daar was er iën die de kaarten lei. ‘k Gink onderweg ergens rusten op een bankske en da vrake dat de naam had van de kaarten te leggen kwam neffens mij zitten, ze dee zuë aardig met heur handjes gelijk as een kantwerkster. Ik vroeg heur op ze de kaartlegster was, ze zei: “Niën”. Ze nam me mee naar heur huizeken, en die van daarnaast zei tegen mij: “’t Is een tuëveres.” Ze liet zij mij ne koffer zien vol schuëne boeken me ga letters, toen stond ik op om naar huis te gaan en ze zei: “As ge onderweg tegen iemand spreekt, zedde a weg kwijt, ge moet recht veur a kijken.”Awel, da mens had de naam van een tuëveresse te zijn.
Beschrijving
Een vrouw naar een kaartlegster in Sinaai ging, rustte onderweg even uit op een bank. Daar kwam een vreemde vrouw naast haar zitten, die haar handen op een vreemde manier bewoog. “Ben jij een kaartlegster?” vroeg de vrouw, maar de vreemde vrouw antwoordde “Neen” en nam de vrouw mee naar haar huisje. Van de buurvrouw vernam de vrouw dat de vreemde een toveres was. De toveres liet in haar huis een koffer vol mooie boeken zien. “Als je onderweg tegen iemand spreekt, zal je verdwaald raken. Je moet recht voor je uit kijken”, zei de toveres.
Bron
V. Van Onsem, Leuven, 1967
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (waasland en dendermonde)
249
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Lokeren   
Plaats van Handelen
Sinaai   
