Hoofdtekst
Irène en de ma van Jozef kwamen met de voituur van Herk. En halves de dreef (= halverwege) hadden ze ene man bekans plat dal (= neer) gevaren. Boven de bemme (= beemden) zagen ze een heel rij engelkes aan 't da(n)sen, heel in 't wit. De man was te voet en die had zijne kop doa hene gedraaid, zo waster maar aan 't kieke en ze hadden hem bekans dood gevaren en toen waren ze door en eer ze t' raan waren, was het voert (= weg). Mè, in den oorlog was doa ene jong gestoreven en begraven. Ze hadden doa een eiken kruis gezatte (= gezet). Dat moes(t) toch ene brave jong gewees(t) zijn, at doa engelkes dansten! Het kruis is staan bleven, mè d'aas (= de ouders) hebben de jong gehaald en hier op e kerekhof gelegd. Mè, die man, ja, die ging altijd noa die engelkes gedraaid en hij had bang.
Beschrijving
Op een dag kwamen Irène en de moeder van Jozef met de wagen terug van Herk-de-Stad, toen ze bijna een man omverreden. De man liep te staren naar kleine witte engeltjes die dansten bij een houten kruis langs de weg. Op die plaats was ooit een jongen gestorven en begraven. Later heeft men het stoffelijk overschot naar het kerkhof gebracht, maar het houten kruis heeft men laten staan. Het moet wel een heel brave jongen zijn geweest, want anders zouden er geen engeltjes op zijn graf dansen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
223
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Irène   
Jozef   
Naam Locatie in Tekst
Widooie   
Plaats van Handelen
Herk-de-Stad   
