Hoofdtekst
E’t er toverij beston? ‘k Weten dat niet. Mor ‘k gon toch een vertellen. Mijn zuster Maria had e kindje. Heur mischge wos misschien e maand of zesse oed. En ander vromens die met de vroedvrouwe de kerkgang gedon had, ging toen binnen bij mijn zuster en ze zagen ze schreeuwen bij heur kindje dat te sterven lei. "Geen verlet", zei dat vromens, "je moet gon nor Roeselare nor de nunnen." En ze gingen en ze lein dat kinnige toen up ’t oltaar. En o ze dat gedon an zein ze: "O je thuuskomt moet je’t pretsop (poreisap) geven." En dat kind e toen genezen.
Beschrijving
Een vrouw had een kindje dat ongeveer zes maanden oud was. Omdat het kindje op sterven lag, stond de moeder bij de wieg te huilen. Van een kennis kreeg de moeder de raad om naar de nonnen van Roeselare te gaan. De nonnen legden het kindje op het altaar en spraken tot de vrouw: "Bij je thuiskomst moet je het kind preisap geven". De moeder deed dat en het kind genas.
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (vrijbos)
38C
Zus van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Klerken   
Plaats van Handelen
Roeselare   
