Hoofdtekst
Mijn oeders hadden e knecht die dikkens ging gon avondstoenden. Z’an dor bezig geweest over toverij en doodkeersen. Je ging nor huus en je stoend dor oenderweg e keer stille om te watern en je zag dor in èn hage lik e lucht. En hoe meer datten dor nor keek, hoe meer datten benauwd wos. En otten up ’t hof kwam je riep: "Klette, Klette doet de deure open, de doodkeerse zit up mijn nekke!" Mijn moeder ee’t wel tientallen keren verteld. ’t Is olleszins waar gebeurd.
Beschrijving
Een knecht ging op een avond op bezoek bij mensen die over toverij en doodkaarsen praatten. Toen de knecht op zijn weg naar huis moest plassen, zag hij plots een lichtje in een haag. Doodsbang liep de knecht naar de boerderij en riep: "Doe snel de deur open, want de doodkeers zit mij achterna!"
Bron
S. Top, Leuven, 1964
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (vrijbos)
232D
Ouders van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Handzame   
