Hoofdtekst
40B Van de langdurige winter! Dat is ook een schoon, hoor. De langdurige winter, dat was moeder en ook weer Janneke, hé. Het was altijd Janneke. Moeder en Janneke daar was geen vader van pas, dat heb ik nooit gehoord. En de moeder was tegen Janneke bezig:"Ooh! De langdurige winter staat weer voor de deur, hé, de langdurige winter." En nu...De moeder moest gaan boodschappen doen, Janneke was alleen thuis, en daar klopte een vent op de deur, en Janneke ging opendoen, en hij zei: "Zijt gij de langdurige winter?" "Nee mijne jong" zei die mens, "Waarom?". "Oh, ons moeder had gezegd: "De langdurige winter komt, die moet al ons geld hebben!"" maar dat was de bedoeling dat dat kostelijk was, hé, de langdurige winter. En nu.. .die mens dacht: "Nondedekke, als ik me nu eens ging verkleden, en een hoed opzette, dan kon ik dat geld zelf nog hebben, hé." En daarmee kwam die terug. En die klopte op de deur. En Janneke opnieuw: "Zijt gij de langdurige winter?" "Ja, mijne jong. Ik ben delangdurige winter!". "Oh", en hij gaf al het geld mee. En hij terug weg. Nu komt moeder thuis: "Moeder, ik heb al het geld meegegeven, hé, met de langdurige winter". "Hoe, met de langdurige winter het geld meegegeven?" "Oh ja, gij hebt dat toch gezegd?". "Maar Janneke toch, gij kunt toch stomme toeren doen, zo heb ik dat toch niet bedoeld! En...waar is hij heengegaan?". "Ja, dat heb ik nu niet gezien" zegt hij, hé. "Allee, gij gaat langs dat paddeke, en ik ga langs dat paddeke. En als ge iets ziet, dan fluit ge maar." Ja, zo gezegd zo gedaan...Janneke vertrok langs dat paddeke, de moeder langs die weg. Nu ineens floot Janneke: "Moeder, moeder!". De moeder kwam af. "Ziet eens, een strontje met een pluimke!" "Maar Jan toch!" zegt ze "Moet ge daar nu toch om fluiten!". En ja, nu stonden ze nogal ver van het huis af, "Nu staan we hier, wat moeten we nu doen om terug naar huis te gaan, dat is ook al zo ver te gaan nog, dan zijn we beter als we verder gaan, en dan een dorpje verder..." had moeder familie wonen. "Dan gaan we maar tot daar". Ja.. .het was zo, maar ze zei als ze bijna zo ver waren: "Maar met u," zei ze, "Ergens binnengaan, gij zijt zo een gulzigaard, alswe iets moeten eten of zoiets, met u valt ge zo dikwijls in affronten" "Jamaar moeder" zegt hij, " Als het is dat ik te gulzig eet, dan trapt ge maar op mijn teen." Zegt hij. Ja, het was zo, ze kwamen daar aan bij die mensen. Nu was het daar juist kermis. Ja, nu hadden ze chance, hé. En die familie was blij dat ze die moeder en Janneke zagen. En "Ja, kom maar mee eten!". Het was soep. En ze hadden honger, en Janneke begon. Maar meteen als Janneke maar een lepel gegeten had, liep de poes op Janneke zijn teen. En Janneke dacht dat dat zijn moeder was, en de lepel naast zijn bord, en Janneke at niet meer. "Allee Janneke" zeiden de familie en de moeder. "Allee, eet gij niet meer?"? Hij had niks te zeggen, hé, maar ze hadden op zijn teen getrapt, en hij at niet meer. Ja, en de soep ging weg. En toen was het de patatten. Weer hetzelfde geval. Janneke begon te eten, die poes weer op zijn teen, Janneke at weeral niks. De familie: "Allee Janneke, ge moet toch eten!". Nee, Janneke at niet. Toen kwam de rijstpap. Hijdacht: "Maar daar ga ik eens goed van eten, van die rijstpap, hé!". Maar het was hetzelfde liedje, weeral. Die poes kwam onder het tafel en op Janneke zijn teen. En Janneke opnieuw gedaan met eten. Ja, nu was het dan avond, en ja, "Ze moesten maar blijven slapen" zei de familie, hé. Ze bleven slapen. En Janneke, daar was nog een schotel rijstpap over geschoten, en Janneke had dat goed gezien waar ze die heendeden, en die ging de kelder in. Ze gingen slapen, en hij dacht: "Maar daar moet ik toch nog wat van hebben!". En hij de kelder in, hé, stilletjes opgestaan, de kelder in. En hij nog goed gegeten, van de andere dingen die er stonden ook nog de overschot. En de rijstpap dan, maar hij kreeg de rijstpap toch niet helemaal uit. Maar hij dacht zo: "Wat ga ik morgenvroeg zeggen, als hier geen eten meer is?", hé, "Dat ik dat opgegeten heb". "Ik ga die rijstpap mee naar boven nemen," en hij had die inmoeders bed gekapt, en meteen als hij in bed kwam ook: "Moeder, moeder" "Wat is er Janneke?" "Gij hebt in bed gedaan!". En die moeder die tastte, en jaja, die dacht dat ze in bed gedaan had. "Oh, Janneke wat moet ik nu doen?" "Jamaar, dan gaan we lopen, dan gaan we lopen". Ja...ze trokken eruit, hé. Ze waren een beetje gegaan: "Janneke, hebt gij de deur dichtgedaan?". "Nee" . "Jong toch, loop dan eens terug om de deur dicht te doen!" Janneke üep terug. En hij kwam terug: "Amai moeder, zwaar dat dat is!." "Wat zwaar?". "Awel, die deur!". Nu had hij die deur afgehakt in plaats van die dicht te doen. "Maar Jan toch, wat hebt ge nu toch weer gedaan!". Ja, wat moesten ze nu doen? Ze konden zo niet blijven verdergaan. Allee, ze stopten aan de boom, en die deur in de boom gelegd. Daar gingen ze op zitten om wat te rusten. Ze zaten daar op. Nu kwamen er twee rovers, die hadden een zak geld bij, en die kwamen dat geld tellen onder die boom. "Zeg" zei moeder, "Janneke, wees nu maar stil, hé, want als die hier ons in het oog krijgen!". Na lange duur: "Moeder, ik moet pissen!". "Maar Janneke, dat moogt ge nu toch niet doen, hé! Want dan zijn we verraden". "Ik moet pissen!" zei Janneke. En Janneke piste. De mannen zeiden:" Goh, wat een goeie Lieve Heer, nu krijgen we nog te drinken ook". Maar na een beetje: "Moeder, ik moet kakken!". "Maar Janneke, dat moogt ge nu toch niet doen, hé!" . "Ja, ik moet kakken!" Ja, dat deed hij ook. En die mannen zeiden: "Goh, Lieve Heer, nu krijgen we mosterd ook!". En daarmee, goh nu waren die rovers nog niet weg, hé. En toen zei hij: "God moeder, ik laat de deur vallen!". "Maar Janneke, zou ge dat wel doen?". "Ik laat de deur vallen!". Hij liet de deur vallen. Ja, toen die rovers.. .en die rovers weg van schrik. Nu waren die een tijdje weg, ah ze waren met drie. De rovers waren met drie. En nu hadden zij het geld, hé. Ze namen het geld bijeen. En nu zegden de drie rovers: "Zeg, één van de drie moet teruggaan om het geld te halen". "Goh, nee!", en dinge...En dan gingen ze met een spierke om het langste te trekken. Drie spierkes pakken, voor het langste die moest teruggaan. Nu was dat toch de bangste die moest teruggaan. Nu...zij met de zak geld op de rug,en daar kwam één rover af, en Jan begon te fluiten. En daarmee, die rover dat was de bangste, die was dan nog bang. En daarmee zei die: "Oh, gij kunt schoon fluiten"; "Ja" zei Janneke, "Zou gij dat ook graag kunnen?". "Ja" zegt hij, "Dat moogt ge mij ook leren!". "Awel," zegt hij, "Dan steekt ge uw tong maar eens uit." En nu sneed Janneke daar een stuk af. En toen: (gilt!!). Die rover weg, maar die ander twee hoorden dat, en die ook op de loop. En toen hadden die mannen, moeder en Janneke, die zak geld, hé. (lacht) Dat was het verhaal. X OK Bedankt. 40 Die twee ken ik, hé.