Hoofdtekst
Hewel, dat was echt toverije, aan Dikkebusvijver, ’t was daar een sneukelwinkeltje (snoepwinkeltje). ’t Waren daar twee jongedochters en ’t lei een op doodgaan en ze koste niet en ze schreeuwde ossan: “Steek uw hand onder de dekking”. En zij hadde een boek onder heur, en zij was een toverege en de paster heeft dan geweest en hij heeft den bijbel meegedaan. Ik heb dat mensche alzo goed gekend. De hekserij dat deelt af. Had er etwien moeten zijn hand onder de dekking steken, hij ging dat afgedeeld hebben. Al de families delen dat af van mekaar als ze willen.
Beschrijving
Een dochter van een winkelierster lag op sterven en schreeuwde de hele tijd: "Steek je hand onder de dekens!" Onder de dekens had de dochter, die een toveres was, namelijk een toverboek verborgen. Uiteindelijk is de pastoor dat toverboek komen halen.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.3 Toverboeken
west-vlaams (franse grens)
332
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Watou   
