Hoofdtekst
Ik hem toch 's ene keer bang geweest en ik was anders gene bange. Ik voerde eht peerd en ik kwam van Sint Tönis. Toen kwam daar 'n meiske en ze vroeg of ze mee mocht rijen. Ja, da mocht ze wol maar ik zei dat het gene tram was want zo rap gaat dat niet met een kar. In Westmalle vroeg ze of er logement te vinden was, mer er was er geen en dan wou ze mee verder. Bij de trappisten bestelde ik nen trappist zoals ik dat altijd dee en ik gaf men peerdeke brood. Mer na, als ik terugkwam, was mijn pint leeg. Zij had die uitgedronken. En toen kreeg ik ineens zo ne schrik; en ze kroop neffen mij op den bok. En in Oostmalle ging ze weer naar logement vragen en ze vroeg om te wachten. Mer da ziede van ver. Ikke had het er niet mee. Ik was anders nie bang, maar toen toch wol. Dat ze mijn pint uitdronk, betrouwde ik niet. En ineens was ze weg en ik heb er nooit meer iets van gehoord.
Beschrijving
Een voerman die nergens bang voor was, kwam terug van Sint-Tönis, toen hij een meisje tegenkwam, dat vroeg of ze mocht meerijden. De man liet het meisje in de wagen stappen. In Westmalle vroeg het meisje of daar een overnachtingsplaats te vinden was, maar toen dat niet het geval bleek te zijn, vervolgde ze haar weg samen met de voerman. Bij de trappisten bestelde de voerman een glas bier en gaf zijn paard wat brood. Toen de man daarna weer binnenkwam, stelde hij vast dat het meisje zijn glas had leeggedronken. De man werd bang. Hij zette zijn weg voort en het meisje ging naast hem op de bok van de kar zitten. In Oostmalle ging het meisje weer een overnachtingsplaats zoeken en vroeg de voerman om op haar te wachten. De voerman was echter doodsbang geworden en reed snel voort.
Bron
W. Luyts, Leuven, 1956
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
antwerps (land van turnhout)
43
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Merksplas   
Plaats van Handelen
Oostmalle   
Sint-Tönis   
Westmalle   
