Hoofdtekst
A: E wê ja né. Bah ja, en ja maar, wij hoorden dat ook graag. We hoorden dat ook graag vertellen… Wê ja, als mijn vader te Pittmans werkte daar in de Oosthoek, ja de vader toen van Paul Pittman daar van de Molenbeek né. Hij kwam een keer af ’s avonds. En ja ‘t was schoon makeklaar. Hij was daar als werkman. En hij kwam maar de zaterdagavond naar huis. Hij was karnaar (diegene die karnt), overtijd ’t was al met de hand gekarnd né. En hij was karnaar en hij bleef daar om te slapen. En hij kwam de zaterdagavond af en ‘k kom daar, zegt hij, waar dat Peenes wonen, daar in de Oosthoek. Zo opzijds (opzij), ’t zijn Hughes die daar nog wonen né, maar dat waren toen twee kleine doeningskes en ‘k peinsde eerst, zegt hij alzo lijk in zijn eigen, zou Moraal hier alzo een mesthoop gevoerd hebben? Alzo één, hij zag daar lijk wat zitten doordat ’t maneklaar was op dat land. En vader, doordat ’t geen benauwde was, hij ging er naar toe. En ’t was een vrouwmens die daar zat in haar mantel gedraaid. Dat was in een zin ook maar een rare né. Né, ze zat daar op dat stuk in haar mantel gedraaid. "Oh", zegt vader, maar hij kende ze, ’t was één die niet ver van daar woonde, van Pittmans. "Oh", zegt vader, "wat doet gij hier Treze?" ’t Was Treze Lacointre, haar naam. "Wat doet gij hier, alzo bij nacht? Alzo ’s avonds zo laat." "E wê", zegt ze, "’k zit hier voor een beetje te rusten." "En ge moet hier niet zitten", zegt vader, "voor te rusten. Ge zijt maar een stap meer", zegt vader, "van je huis." "E wê", zegt ze, "’k kom van Sintje Liens", zei ze, "’k ben mijn pacht gaan betalen en ‘k zit hier voor een beetje te zitten", zei ze, "voor te rusten." Dat was ook geen zitten te midden ’t stuk né. Maar ’t was geen goede. Mijn vader heeft ’t nog gezeid. Ze moest maar naar ’t koestal, allez dat ze over de deur keek, dat ze over de deur keek, ze hadden geen boter meer. Zo ’t was dat ze algelijk ook wat kon né, die. ’t Was ook algelijk geen stijf goede né. En als ze toen weer wilden hebben, ze gingen toen weer, ze gingen toen weer naar haar en ze smeet toen aan de koeien elke een stukje raap en ze hadden toen weer boter. Kijk, dat is mijn vader die dat nog verteld heeft. Dat was algelijk ook raar né… Overtijd alzo, ja ge moet zeggen over honderd jaar, ze wisten dat né, maar nu ge hoort daar niets meer van né.X: Ze kouten daar niet meer van né. ’t Zijn eigenlijk maar de oude mensen meer die nog wat weten né.
Beschrijving
Een man die op een zaterdagavond bij maneschijn naar huis kwam, zag onderweg een vrouw met een mantel op een veld zitten. Toen de man vroeg wat de vrouw daar deed, antwoordde ze: "Ik zit hier een beetje te rusten. Ik ben mijn pacht gaan betalen en nu wil ik hier wat rusten". Het was een slechte vrouw.
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (ieper)
10
Vader van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
