Hoofdtekst
Drie man(nen) van Lauw gingen noa Tongeren-keremes, 's nach(t)s om twalef uren kwamen ze thuis. Opeens zei ene-van-de-drie: 'ich moet vertrekken, as doa iemand komt, hier is mijne maalsnoefeling (= zakdoek), die gooit zje maar op hem en zeg: 'trek het van naadsje tot draadsje uiteen wei het ineen is.' Goed. D'ander gingen wijder door en toen kwamen ze ene grote hond tegen met ene lange staa(r)t en zijn tong aan zijn muil uithangen. Toen deden ze wei den andere gezeg(d) had, en de hond begon met de draadsjes uit te trekken. Op dien tijd waren ze weg. E beetsje ternoa kwam de derde terug bij hen. toen zagen ze nog roi draadsjes in zijne mond en ze zegden het hem. 'Ja, maar mijn uur was doa, zeiter, ich heb mijn ziel verkoch(t) voor honderddoezend frank. Dat was tussen twalef en één uur.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Drie mannen uit Lauw kamen omstreeks middernacht terug van de kermis in Tongeren. Opeens zei één van de mannen: "Ik moet even weg. Mocht er iets op jullie af komen, gooi dan deze rode zakdoek naar de verschijning en zeg: 'Trek het van naad tot draad uit elkaar zoals het geweven is'." Wat verderop kwamen de twee mannen een hond met een lange staart tegen. Toen ze de zakdoek naar het dier hadden gegooid, begon de hond de stof helemaal uiteen te rafelen, zodat de mannen de tijd hadden om zich uit de voeten te maken. Even later kwam de derde man zijn vrienden opnieuw vergezellen. Hij had de rode vezels van de zakdoek echter nog tussen zijn tanden. Tot zijn vrienden sprak de man: "Mijn uur was gekomen. Ik heb mijn ziel namelijk verkocht voor honderdduizend frank".
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1010
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
Plaats van Handelen
Lauw   
Tongeren   
