Hoofdtekst
Mijn moeder most de schoetszwijns uitspoelen bij koud watre. We zeggen we gaan nog wat opblijven. Zo we zaten dare en al mee ne keer w’horen wat al klinkend afkomen en ’t was de waterduvle. Moeder zegt: we gaan eerst lezen en ot (als) ’t kwaad is, zal ’t over een half ure were keren. En een half ure later was ’t hij daar were. En t’hen d’er hem gezien, en wulder (wij) kijken aan de deure… en hij had azoon ogen; en moeder trok aan ons kleren… maar d’andre hen da gezien. En da gaf nen harden slag op de vensters. En ot (als) die waterduvle daar kwam waaien dat da deed en die achtkanten (canada’s), Marie wete da nie meer, en de die stonden daar verre… en beven en draaien danze deden. ’t Was lijk ne grote wind die opkwame.
Beschrijving
Enkele kinderen waren op een avond nog wakker toen hun moeder de 'schoetszwijns' (?) aan het uitspoelen was. Plots hoorden de kinderen de waterduivel met veel gerinkel aankomen. De moeder sprak tot haar kinderen: "We zullen eerst wat bidden. Als het iets kwaads is, dan zal het over een half uur terugkeren". Een half uur later hoorden de kinderen de waterduivel inderdaad opnieuw. De waterduivel had grote ogen en hij sloeg hard op de ramen. De canadese populieren bewogen alsof er plots een sterke wind was opgestoken.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.1 Watergeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
114
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Beernem   
