Hoofdtekst
De mare, ‘k èn da nog hèt: ze lopen lik over je, lik e mens of e beeste. J’è gin asem mi en je ku nie roepen. En u je wakker wordt, klopt jen herte dat ’t vreeselik is. ‘k Hoarden die staldeure opengoan en ameki (plots) voeldeh ik een over me krupen en wakker schieten en benauwd zien en nietent mir hoaren.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Mensen die door de maar werden bereden, konden niet ademen of roepen. Men kon de maar horen aankomen langs de deur. Bij het wakker worden, hadden slachtoffers van de maar ernstige hartkloppingen.
Bron
M.-R. Nijsters, Leuven, 1969
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (nw van houtland)
163.4
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zevekote   
