Hoofdtekst
De zwatte vrouw liep 's nachs rond in Lauw. Zij kwam zo ko(r)t neven oech (= U), mè ze deed niks en zei niks. En haar kleer (= kleren) piepten zo, ruisten enfin, zo wei vloer dat overeen wrijf(t) en de minse hadden schrik. Op 't laatst hebben ze haar gepak(t); toen was het ene man, hij was nie fel groot en was van Troot en he had vroleikleer (= vrouwenklederen) aangedaan. Toen wisten ze wie het was en toen waster zijn fors kwijt.
Onderwerp
SINSAG 0310F   
Beschrijving
In Lauw dwaalde een zwijgende zwarte vrouw rond met ruisende kleren. Omdat de mensen bang waren voor de verschijning, heeft men de vrouw gevangen: het bleek een man uit Troot te zijn, die vrouwenkleren droeg.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Neerrepen   
Plaats van Handelen
Troot   
Lauw   
