Hoofdtekst
De auwelkes hebben in Bree nog lang gelegen. Bij Elias in de gevel heeft altijd een blinde deur gestaan, die staat er misschien nog wel. Tot daar kwamen de wallen vroeger. Dan waren er onder kelders, en dan de graaf. Daar moeten die auwelkes in gezeten hebben. Die gongen werken bij de boeren. Zo was er ene die had ze maar eens graag daar gehad: 'Dat ze hier maar eens komen', zei die. Maar dan moesten ze te bikken krijgen. Hij had 'nen tast koren aangelegd om te dorsen. 'Dat ze nu maar komen', zei hij. En hij had ouw schoenen geweekt en die véérdig gezet. Zo fitseldefatsel van vlees hadden ze nog nooit gevreten. De boer keek door het sleutelgat om ze af te spioenen, en toen schreeuwde ene: 'Blaas dat licht uit.' En ze bliezen hem een oog uit.
Onderwerp
SINSAG 0066 - Die zähe "fikkefak"   
SINSAG 0063 - Die hilfsbereiten Zwerge arbeiten in der Nacht für die Menschen für Nahrungsmittel (Tabak, Geld)   
SINSAG 0065 - Zwerge wollen nicht belauert werden   
Beschrijving
De alvermannetjes woonden in grachten onder de kelders van de stadswallen in Bree. Aan de gevel van het huis van Elias kan men nog zien hoe hoog de stadswallen vroeger kwamen. Op een nacht liet een boer de alvermannetjes komen om zijn graan te dorsen. Hij had een paar doorweekte oude schoenen klaargezet, in de hoop dat de alvermannetjes zouden denken dat het vlees was. Toen de boer de ijverige dwergjes door het sleutelgat stond te bespieden, werd hem door één van de alvermannetjes een oog uitgeblazen.
Bron
R. Celis, Leuven, 1954
Commentaar
1.2 Aardgeesten
limburgs (bree en omstreken)
Auwelkes blazen bespieder oog uit door het sleutelgat: variant (Gerdingen)
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Elias   
Naam Locatie in Tekst
Gerdingen   
Plaats van Handelen
Bree   
