Hoofdtekst
Dat was ene uit de geburen die bij ons nooit niet en kwamp, maar z’had de naam van toveresse. En op ne zekere Zaterdag kwamp ze bij ons om een brood en ze kreeg zij een. En daarmee ze was zij weg. Maar nen dag of twee daarnaar ging mijn moeder naar ’t varkenskot en dat varken liep daar azo altijd rond in dat kot; en ze gaat zij naar d’andere, en toen stonden daar azo drie; en mijn moeder peisdegen toen “en ‘k zou bij de pater niet gaan?” “Doe’k er geen goed mee, ‘k en doe er toch ook geen kwaad mee.” En ze ging naar Afflighem, en diene pater heeft haar toen water, wijn en brood en zout gegeven. En dat varken en willegen en niet eten hé, en mijn moeder en dorst er niet goed tegen gaan, want die varkes schuimdegen, en die tanden waren opeen, en ze graafdegen diepe hollen. En diëne pater zei: “Doet dat in hun eten.” “Maar z’en zullen zij dat niet eten, z’en willen niet eten”, zei de moeder. “Dat zullen ze wel eten”, zei de pater. En mijn moeder deed dat in hun eten en zettegen mee een schouw gat diënen emmer in ’t kot, en z’en had hare rugge nog niet heel gekeerd of z’aten alles op! En van toen af hebben zij normaal g’eten. En diene pater had ook gevraagd hoe dat er niemand verdacht bij ons geweest was; en wij peisdegen op die toveresse die op ons hof geweest had. Ah ja, en wij moeten een neuvaine lezen, zei hij, en gedurende negen dagen alle dagen te biechte en te commine gaan. En dat was gedaan.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Op een boerderij in Voorde kwam een vrouw uit de buurt op zaterdag een brood vragen. Men gaf de vrouw het brood, waarna ze vertrok. Twee dagen later ging de boerin naar het varkenshok. Omdat één van de varkens de hele tijd rondliep in zijn hok, besloot de boerin eens naar de paters van Affligem te gaan. Van de geestelijke kreeg de boerin water, wijn, brood en zout. De varkens wilden niet eten, hadden schuim op hun lippen en groeven diepe kuilen in hun hok. Toen de pater de boerin aanraadde om iets gewijds in het voeder van de varkens te doen, zei de boerin: “Maar de varkens willen niet eten”. Daarop antwoordde de geestelijke: “Dat zullen ze wel eten”. Zo was het ook. Na die interventie gedroegen de varkens zich weer normaal. Het onheil was wellicht veroorzaakt door de toveres die een brood was komen halen. Op de boerderij moest men ook negen dagen lang dagelijks te biechten en te communie gaan. Daarna had men daar geen ongeluk meer.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (denderstreek)
375
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Affligem   
Affligem (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Voorde   
Plaats van Handelen
Affligem   
Voorde   
