Hoofdtekst
Dat heb ich nonkel Jan horen vertellen. Als die mee naar de mert (markt) ging had die altijd nen dikke kluppel bij. En zijne beste kameraad zei: 'Als ge iet tegen komt dan moet ge uwe knuppel gebruiken.' Nu onderweg zagen ze ineens dat ne groten hond hun altijd volgde. En zij hadden natuurlijk schrik maar op 't leste zagen ze hem niemeer. Maar effen erna verder door kwam hij hun tegen en zij sloegen met hunne stok maar kosten hem nie raken. 'Smijt uwe zakdoek' riep zijne kameraad. En hij haalde zijne zakdoek boven, gooide hem naar den hond henne en die er mee lopen. En toen ze op de mert kwamen zagen ze hunne gebuur en die had de vezels tussen zijn tanden hangen. Die had de naam dat 't ne weerwolf was.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Jan ging samen met een vriend naar de markt. Onderweg sloeg Jan met zijn knuppel naar een grote hond die hem de hele tijd volgde. Omdat hij het dier niet kon treffen, riep zijn vriend: "Gooi een zakdoek!" De man volgde de raad op, waarna de hond met de zakdoek wegliep. Op de markt kwamen de mannen hun buurman tegen, die de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
Bron
I. Kenens, Leuven, 1957
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (noord-west)
293
Oom van de informant
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Jan   
Naam Locatie in Tekst
Eksel   
