Hoofdtekst
‘k Heb nog ‘ne keer gehoord van ene, en heur meter kwam were bij heur op ’t land binst den dag. En ze zei dat tegen de paster. En de paster zei: "Ge moet vragen waarom dat ze werekeert." En ze zaten in ’t gès (gras) te kruien en ze kwam were. En ze pakten heur met twêen vaste, elk al ‘ne kant, en ze zeien: "Meter, waarom komt ge were? Zijt ge van God gezonden of van wie zijt ge gezonden?" En ze zei: "’k Benne van God gezonden. Der moesten twaalf keersen van een cent verbranden zijn, en ’t is niet gedaan geweest".En ze gingen seffens achter keerskens naar ‘ne winkel. Maar ze hadden der maar zesse. Ze ontstoken ze, maar ze wilden niet branden. En ze gingen naar ‘nen anderen winkel achter nog zesse. En toen wilden ze branden!En z’is nooit niet meer weregekeerd: ze was verlost. Ah ja.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Enkele mensen die in het veld aan het werken waren, zagen hun gestorven meter op klaarlichte dag terugkomen. De pastoor gaf de mensen de raad om het spook de volgende keer te vragen waarom het terugkwam. Toen de mensen gras aan het kruien waren, verscheen hun meter opnieuw. Daarop vroegen ze: "Meter, waarom kom je terug? Ben je door God gezonden?" Het spook antwoordde: "Ik ben door God gezonden. Er moesten twaalf kaarsen van een cent gebrand worden en dat is niet gedaan". Daarna gingen de mensen onmiddellijk kaarsen kopen in de winkel. Men had er echter maar zes kaarsen. Toen men die zes kaarsen probeerde aan te steken, lukte het merkwaardig genoeg niet. Pas toen men in een andere winkel nog zes extra kaarsen had gekocht, kon men de kaarsen aansteken. Sindsdien is de dode vrouw nooit meer teruggekeerd. Ze was verlost.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
213
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Otegem   
