Hoofdtekst
Mijn vrouwe heeft ne keer iet voreng’had in de Walen: haar tante was bij ne paster, en ze was ziek geworden, en diëne paster had gevraagd voor haar enkele maanden gaan op te passen; en ze ging zij op een groot boerenhof. En dat was enen die azo mee een barraksken rondging. En den diën had de knecht daar in slaap gedaan, en als hij goed in slaap was, had hij ne sjal of iet gepakt hé, en in diene knecht zijnen arm doen leggen, en als diëne knecht wakker werd, zat hij azo precies mee een kind te wiegen. En schaamte dat hij had! En hij zegt dan tegen mijn vrouw: “Kom, grosse flamande, mee u moe’k ook iet doen.” “Ja maar, ‘k heb vanavond twee grote beafstukken opg’eten” zegt ze, “gij en zult mij niet kunnen doen.” Hij en kost haar niet doen, aske niet en wilt en kunnen z’u niet doen hé! Maar ’s nachts en had ze van heel de nacht niet geslapen; ’s anderdaags zegt ze tegen de paster: “’k Heb van heel de nacht niet geslapen, maar z’had dat natuurlijk allemaal verteld. “Ah, zegt de paster, hij en heeft u in slaap niet gekregen en hij en heeft dat niet ontdaan, en dat heeft op u gewerkt, maar in ’t vervolg, en gaat daar nimmer”, zei hij.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een vrouw ging in Wallonië zorgen voor haar zieke tante die bij een pastoor werkte. De vrouw verbleef op een boerderij. Op een dag had de boer zijn knecht een slaapmiddel gegeven. Toen de boer zei dat hij de vrouw ook een slaapmiddel zou geven, zei de vrouw: “Ik heb twee grote biefstukken gegeten. Mij zal je niets kunnen doen”. Omdat de vrouw een sterke wil had, kon de boer haar inderdaad niets doen.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
534
Echtgenote van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Appelterre-Eichem   
Plaats van Handelen
Wallonië   
