Hoofdtekst
De jongens deden soms het volgende tussen de periode van herfst en winter, als het vroeg donker was. Op het veld stonden toen nog beten. Ze stalen er zo een en holden die uit en gaven er zo wat de vorm van een aangezicht aan. Daar werd dan ’n kaars ingezet en aanstoken. Dat plaatste men dan op ’n stok en soms zo meerdere naasteen. En ze deden dat om schrik aan te jagen en om te doen geloven aan spoken.
Beschrijving
In de herfst en de winter was het vroeg donker. Grapjassen liepen dan vaak rond met een stok waarop ze een uitgeholde biet met een kaars hadden vastgebonden. Zo wilde men de mensen in spoken doen geloven.
Bron
L. Cumps, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (z van brugge)
56
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Michiels   
