Hoofdtekst
Op Hommelen, de weets (ge weet) wel de hoek weijer (ver) af, do woonde de nonk van mijne vriend. Die heette Vossen en er (hij) was blind. Die zijn broer zag altijd heksen, maar er geloofde er niet aan. Enen dat woor er in Eigenbilzen - aan de kerk do, de weets als de jongen van 't vrijen kwamen gongen ze nog get (wat, een tijdje) kaarten en er zegt tegen zijn broer: 'Gaan ver n'r huis - 't was 's avonds al. Ze kwamen aan de brier ('t ijzeren hekken) en den ene zegt: 'Och God do zit weer een katje.' 'Ja, zegt den andere: Ich zal dat katje do eens vurthelpen (weghelpen). 'De zals dat katje nog wel laten zitten', zei 't katje. En 's anderendaags gongen ze op de hei (de) kiezel halen. Boven Berenbroek zat 't katje in de hei. De voerman wol (wilde) hem met de smiek (zweep) ène bijtrekken (iemand aftroeven) en toen zetten 't de straat op en de voerman woor blij dat er de smiek (zweep) weer op zijn plaats lei. Dat heeft die Vossen echt verteld.
Onderwerp
SINSAG 0608 - Andere Begegnungen mit Hexentieren.
  
Beschrijving
Op een avond was V. met zijn broer in Eigenbilzen gaan kaarten. Toen de mannen op de terugweg een katje op een slagboom zagen zitten, sprak één van hen: "Ik zal dat katje hier eens vandaan helpen". Daarop antwoordde het dier: "Jij zal dat katje hier mooi laten zitten!" De volgende dag zagen de mannen datzelfde katje op de heide bij Berenbroek zitten. De voerman wilde het katje met de zweep afranselen, maar hij bedacht zich nog net op tijd.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (bilzen)
370
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Eigenbilzen   
Plaats van Handelen
Eigenbilzen   
Berenbroek (Eigenbilzen)   
