Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

PVAND0180_0181_26825 - Toveres heeft kwade hand op jongen; wordt in de gedaante van een haas geschoten met zilver en als toveres herkend

Een sage (mondeling), 1968

Hoofdtekst

Da was to Bollaerts, ’t neerhof over ’t kasteel van Van Zuylens ip de bane naar Veldegem. De zeune was betoverd. Hij was ipgesloten in de kelders (misschien was t’ ie zot). D’ouders moesten ’t eten bij hem zetten, maar ze moesten eerst weggaan en ton at hij het op. Maar niemand zag hem eten. Die jongen wierd altijd maar magerder. Ze veronderstelden dat ’t eten gepakt werd deur een hekse. D’ouders gingen naar de paters van Steenbrugge achter raad. De paters zeien naar waar da ze moesten gaan dienen. ’t Er werd n’een vrijwilliger gevraagd daarvoor. Den eerste dat ie ging tegenkomen moest hij n’een klets tegen zijn oren geven. Dendien die ging dienen kwam nu eerst een nonne tegen en je doste gene klets geven. Dus ’t hielp niet. Ton gingen ze vanher naar Steenbrugge. Nu moest ie ’s nuchtens d’eerste beeste dat hij zag doodschieten. Je gaat ip weg en ziet n’een haze. Je schiet, j’hoort n’een schaterlach en den haze is weg. De zeune blijft echter voort betoverd. Ze gaan were naar Steenbrugge en nu komt de pater zelve. De pater vraagt n’een zilveren frank en kapt hem in stikskes. Daarmee laadt ie zijn gewere. Want een hekse moeste met zilver geschoten worden, met lood ging da niet. De pater vraagt, welk ure da ze hem t’eten geven, want ton komt de hekse achter ’t eten. D’ouders moeten ’t Onzevader lezen en je "gaat n’een haze schieten". Je gaat weg en je schiet. Je zegt dat hij n’een haze geschoten heeft maar dat ie gevlucht is. Amenekeer is de toverij opgehouden. ’s Anderendaags zagen ze de gebuurvrouwe met heur hoofd omzwachteld. Van ton af werd da wuuf als een heks angezien.

Onderwerp

SINSAG 0623 - Der geweihte Schuss    SINSAG 0623 - Der geweihte Schuss   

Beschrijving

Op een boerderij had men de boerenzoon opgesloten in de kelder. De ouders brachten hun zoon eten, maar de jongen at pas nadat zijn ouders waren vertrokken. De jongen vermagerde sterk. Omdat de boer en de boerin geloofde dat het voedsel van hun zoon door een heks werd opgegeten, gingen ze te rade bij de paters van Steenbrugge. Daarna werd een vrijwilliger voor de mensen op bedevaart gezonden. De pelgrim moest de eerste persoon die hij zou tegenkomen, een oorveeg geven. Omdat de eerste persoon een non was, durfde de pelgrim niet te doen wat hij was opgedragen. Daardoor moesten de boer en de boerin opnieuw naar Steenbrugge gaan. Deze keer moest de pelgrim 's ochtends het eerste dier dat hij zou zien, doodschieten. Het eerste dier was een haas. De pelgrim schoot naar de haas, hoorde vervolgens een schaterlach en zag het dier weglopen. Na dat voorval kwam de pater van Steenbrugge ter plaatse. Hij vroeg een zilveren muntstuk, verbrijzelde het en laadde zijn geweer met het verpulverde zilver. Een heks moest immers met zilver worden neergeschoten. Op het moment dat de boerenzoon zijn eten kreeg, slaagde de geestelijke erin een haas te schieten. De volgende dag stelde men vast dat de buurvrouw een zwachtel rond haar hoofd droeg. Aan de toverij was een einde gekomen.

Bron

P. Vandewalle, Leuven, 1968

Commentaar

2.1 Heksen
west-vlaams (o van houtland)
359
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Ruddervoorde    Ruddervoorde