Hoofdtekst
Geest verlaat tovenaar.'t Es der in de gemeente ook keer ezo iets gebeurd, ewaar, dat er langs den tramweg, in de rilden, een lijk lag. En ze zijn achter mijnheer de paster gaan, en as ter de paster bij kwam, zeidt ie, tegen die hoeveelheid mensen, dien der rond stonden, ewaar, dan z’ achter hem veur die zake nie meer moesten gaan, dat ie hij der niet en kost aan doen, da diene mens zijne geest weg was. En ie es hem opgepakt, en ie es naar die mens zijn huis gegaan, da was nen oude jonkman allene, En ie heet daar een hope boeken meedaan, mijnheer de paster. En van toen af, allez, es dat hard achterbleven, ie koeste gene weg meer, è. En zijne geest was uit, è, veur deugnietrije te doene.
Beschrijving
Langs het tramspoor in Bevere lag een lijk. De mensen die het lijk hadden gevonden, lieten de pastoor komen. De geestelijke legde uit dat hij niets meer voor die man kon doen en ging naar het huis van de dode, waar hij een hele stapel boeken heeft meegenomen. Daarna kwam er een einde aan het kwaad.
Bron
A. Desmyter, Gent, 1955
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (zuiden: bevere en oudenaarde)
114
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bevere   
Plaats van Handelen
Bevere   
