Hoofdtekst
Beschrijving
Anne en Leis waren getrouwd. De dag na hun huwelijk ging Leis werken. Zijn vrouw vroeg wat ze ’s middags moest klaarmaken. Daarop zei de man: “Maak peterseliesoep. Dat eet ik graag”. Het echtpaar had echter ook een hondje dat Peterselie heette. Anne was niet erg slim en gooide de hond met zijn ketting in de soep. Bij zijn thuiskomst stelde de man vast dat zijn vrouw het hondje had gekookt. Hij was woedend. De volgende dag vroeg de vrouw weer wat ze moest klaarmaken. “Een snede spek en een rodekool”. Anne ging naar de tuin, holde een rodekool uit en propte er het spek in. Een hond die daar voorbijkwam, ging echter met het spek aan de haal. Anne was in de kelder bier uit het vat aan het tappen, toen ze haar buurvrouw hoorde roepen: “Kom snel! Er is een hond met je spek weggelopen!” Anne ging kijken en vergat het biervat af te sluiten. Toen Leis thuiskwam, was hij weer woedend en zei: “Als ik had geweten dat je zo dom was, dan was ik nooit met je getrouwd. Hier is het geld dat ik verdiend heb. Steek het weg, voor als er een lange winter voor de deur staat”. De volgende dag werd er aangeklopt. De vrouw zei: “Bent u lange winter?”, waarop de bezoeker nietsvermoedend zei: “Waarom vraag je dat?” De vrouw antwoordde: “Mijn man heeft gezegd dat ik zijn geld moest bewaren voor als er een lange winter voor de deur stond”. De bezoeker ging naar het bos, waar hij zijn jas en zijn hoed omdraaide. Daarna klopte hij opnieuw aan en stelde zich voor als ‘lange winter’. De vrouw gaf het geld weg. Toen haar man thuiskwam, vertelde ze wat ze had gedaan. De man vroeg waar de vreemdeling naartoe was gelopen en besloot naar hem op zoek te gaan. “Ik ga mee”, zei de vrouw. Toen zei de man: “Wie gaat er dan op de deur letten?” De vrouw antwoordde: “We nemen de deur mee op onze rug”. In het bos kropen de man en de vrouw in een boom. Onder de boom kwamen de rovers die met hun geld aan de haal waren, hun buit bestuderen. Ze kookten ook een kom pap. De man moest echter zijn behoefte doen en liet alles in de pap vallen. De rovers roerden voort en zeiden: “Alles wat van boven komt, is goed”. Na een tijdje kon de vrouw de deur niet meer vasthouden en liet ze vallen. De rovers liepen bang weg. De man en de vrouw kropen uit de boom en hadden hun geld terug.
Bron
D. Herbots, Leuven, 1974
Commentaar
7. Sprookjes
brabants (oosten)
170B
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Anne
Leis
Leis
Naam Locatie in Tekst
Overhespen   
