Hoofdtekst
‘t Wos daar een joenge dochter die een beetje drinkgeld in een eerden potje vergaard hadde en z’ha dadde onder een hooischelvetje gezet. Maar nu kwam da vrouwmens dood te gaan. En achter de begravinge zagen ze olle nachte een keerse rond de schelve. De gebeurs die dadde gezien hadden, gingen naar de Kapelaan en den dien belas dadde, en je zei dasse die hooischelve mosten verzetten, en ze vonden dat beuterpotje met geld, en ze deên daar messen mee, en dadde hè nooit meer weregekeerd.
Beschrijving
Een ongehuwde vrouw had haar spaargeld in een aarden potje onder een hooischelf gezet. Toen de vrouw gestorven was, zag men na haar begrafenis iedere nacht een kaars rond de schelf zweven. De buren lieten de kapelaan komen, die de plaats kwam overlezen en zei dat men de hooischelf moest verplaatsen. Zo werd het boterpotje met het geld gevonden. Nadat men van dat geld missen had laten doen, is de geest niet meer teruggekeerd.
Bron
M. Reynaert, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (ieper)
45
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Geluveld   
