Hoofdtekst
39 En Mèèike, Mèèike, Mèèike… Ja, hoe heette Mèèike (= Mieke Vanherf?) Mèèike, dat kwam…, Mèèike dat woonde aan de kerk daar ergens, wùr, dat ging zo uit lappen (= dat ging bij andere mensen lappen). En dan kwam Cieles met haar op en die wou haar maar de ‘zou’ (= gracht) intrekken altijd. De weerwolf, Cieles de weerwolf.
Onderwerp
SINSAG 0805 - Werwolf in Hundesgestalt als Begleiter (verrädt sich am folgenden Tag).   
Beschrijving
Een vrouw die bij de mensen ging naaien, werd altijd gevolgd door een weerwolf die haar in de gracht wilde trekken.
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (groot-riemst)
39B 519
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vlijtingen   
