Hoofdtekst
Er liepen hier hennen in ’t klooster van Nederzwalm. En die hennen waren allemaal als oude meetjes. En Pelagie Droesbeke, nee, Melkebeke, zij ging naar ’t klooster. Zij had een zuster in ’t klooster en zij zegt tegen de moeder: “Wat is er aan uw hennen, het zijn precies als oude meetjes?” “Ja”, zei ze, “’t zijn precies als oude meetjes. Ge moet niet denken, dat legt niet, dat loopt daar… En we hebben ervoor bij de paters geweest.” Ze hadden broodjes gekregen van de Augustijnen van Gent. “Hoe hebt ge u gehad daar bij de paters?” vroeg ze. “Awel, de paters hebben gezegd: ga naar huis, er gaat een man komen aan het hek, laat die man niet binnen, dat is de dader.” En inderdaad, als ze thuiskwamen is er daar een man toegekomen die daar gebeld heeft. Ze hebben die niet binnengelaten. Die man is weer vertrokken. En dat was de dader, zeiden ze, een tovenaar. Daarna is dat verbeterd. Dat heb ik altijd horen vertellen van Peleke (Pelagie). Zo lang is ze nog niet dood.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
In het klooster van Nederzwalm liepen hennen die geen eieren legden en rondliepen alsof ze oud en versleten waren. De mensen gingen naar de paters van Gent, van wie ze broodjes kregen. De paters voorspelden dat de dader bij het hek zou verschijnen en gaven de mensen de raad hem niet binnen te laten. Korte tijd later heeft men de tovenaar inderdaad bij het hek zien staan.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (zuiden)
132C'
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Gent   
Gent (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Nederzwalm   
Plaats van Handelen
Nederzwalm   
Gent   
