Hoofdtekst
Op ’t ende van zijn leven was zij zot. ’t Zocht potten en pannen en raaptige da toope (samen) in haar schorte (voorschoot). Zo me zeggen ondereen: "Me gaan ’t ne keer kloten (foppen)." Me strooidigen een beetje zout over de kasseie en ’t keerdige were al rammelend en al tierend. ’t En kost er nie over hé.
Beschrijving
Een oude toveres was gek geworden. Ze raapte overal potten en pannen op en verzamelde die in haar schort. Op een dag besloot men de toveres een poets te bakken. Men strooide wat zout op de kasseistenen. Toen de toveres op die plaats kwam, moest ze rechtsomkeer maken.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
375
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Joris-ten-Distel   
