Hoofdtekst
X: Een verhaal ook dat voor Beselare gekend is, is van de vliegende geit.A: Oh, dat is wat anders wê. Maar er zijn daar ook veel leugens verteld wê. Ja, ja. En degene die ’t meegemaakt hebben zijn dood hé. De mensen zijn er niet meer hé. Ik ben gaan kijken.X: Maar wat was dat eigenlijk juist? Ik weet dat ook niet.A: Ja, ’t is daar een hele laagte over Andre Ghekieres daar. Er staan daar wilgen die de weiden afscheiden en ’t een en ’t ander. En je hebt vogels, maar die zijn hier niet standvastig, die altemets al hier overkomen van andere streken. En hun geluid trekt op een geit, mèèèèè, zie je’t, zo’n geluid hé. En iedere keer dat ze mèèèè gezeid had, ze vloog weg en dat was de vliegende geit. Ze vloog weg hé, zogezegd, ’t was een vogel die wegvloog. Dat komt goed met mekaar overeen hé. En dat waren eerst de boerewerkers die daar waren hé. Dat was toen Pee Ghekieres niet wê, maar dat was toen nog Henri Soete, de vader van Pol Soete die op de Plaats daar woont. Hij heeft daar gewoond. En ja, die op de hofstee werkten né hebben dat allemaal gehoord. Ik ga akkoord dat ze dat gehoord hebben, maar ze hebben die vogel niet gezien, de vliegende geit. En wij zijn toen gaan kijken, de tweede of de derde dag. Maar toen was ’t niet meer te doen. Heel Beselare, jong en oud, maar meest jonge, waren gaan kijken naar die geit. En ’t was ’s avonds hé, ze liepen al de vruchten plat. En de een liep langs hier mèèè, de ander ginder al de andere kant mèèè. Zie je’t. En de tweede of de derde avond, de gendarmes waren daar. En ze mochten op ’t land niet meer gaan en er zijn er niet meer zoveel komen kijken. De mensen die één keer geweest waren wisten dat ze niets gezien hadden en hadden ze wat gehoord, ze wisten niet of ’t waar was of niet en dat is zo geëindigd. Dat was niet ver van ons hé. We woonden ginder tenden, tussen de Beukendreef daar en … Maar ik heb maar juist horen schreeuwen mèèè, mèèèè, wê. ‘k Heb niets meer gehoord. En er was veel jong vrouwvolk en mannevolk né die daar rondliepen né, ge kunt gaan peinzen zo, ’s avonds. Godverdikke. En er waren er die komen kijken waren, zeien ze, van Frankrijk, met auto’s. En dat was eigenlijk ’t begin van de vliegende geit, begonnen met die vogel zou ik zeggen. Een vliegende geit kan niet bestaan né, maar een vogel kan bestaan die een geluid ‘uitlaat’ van een geit, dat kan bestaan hebben. En ‘k weet niet als dat geen Indische vogel was of wat, die daar meer van kenden of wij hé. We hebben maar voortgezeid hetgeen dat hij vertelde.X: Dat wie, dat je vader, neen…?A: Nee, nee. Dat een geleerde zei daarover. En dat is ook in de gazetten zeker gekomen. Maar ja, wij hadden geen gazet. We weten ’t niet hé…
Beschrijving
Vroeger geloofde men dat in Beselare een vliegende geit te horen was. Het geblaat werd echter veroorzaakt door een vogel. 's Avonds gingen de mensen allemaal luisteren naar het geblaat, waardoor de gewassen op de nabijgelegen velden werden platgetrapt.
Bron
F. Ramon, Leuven, 1975
Commentaar
west-vlaams (ieper)
10
fabulaat
Naam Overig in Tekst
vliegende geit (Beselare)   
Naam Locatie in Tekst
Beselare   
Plaats van Handelen
Beselare   
