Hoofdtekst
Tovenaar doet papieren ventjes dansen en laat een papieren vent naar de stad gaan.Toen werkten ik in Rotterdam. En mijn broer die kost die papieren ventjes ook laten dansen: dien aai dat overgeleerd van die Van der Veken. Die leurde mee slechte boeken ook. Ja, Jan aai het ook geleerd. Die naam e mes in zijn handen en daar floot ie op en zo liet ie ze dansen. En hij aai ook ne vent gemaakt van meer as ne meter hoog. En die kwaam achter ons en die ging mei naar de stad. We waren mee een heel ploeg en we wouwen naar de stad gaan en we zijn teruggekeerd, want we wieren bang. We kuierden zo en we keken is achterom en hij volgden ons. In Rotterdam in de keet aai ie er twee gemaakt. Hij tekende z'uit en wij mochten z'uitknippen en hij maakte z'aan mekaren. Hij zette z'op tafel en ze bleven staan en as wij er aan kwamen, vielen z'om en we kosten ze nie meer recht zetten.En hij kwaam er bij en hij zei e paar woorden en ze stingen. Dan ging ie aan de keetdeur zitten op nen baal en ie begost te fluiten en dan begosten die te dansen. "Nauw zal ik er ene maken en die zal zaterdag mee ons mei naar de stad gaan", zegt ie. Dien aai da gleerd van Stan Van der Veken en dat is wel gebeurd, hoor!
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Een man die in Rotterdam werkte, had een broer die had leren toveren van iemand die met slechte boeken leurde. De broer kon papieren mannetjes laten dansen. Hij kon ook fluiten op een mes. Op een dag maakte hij een man die meer dan een meter groot was. De mensen die door de man werden gevolgd, waren bang. De man knipte twee figuurtjes uit in papier en zette die op tafel. De figuurtjes bleven staan, maar wanneer iemand anders ze aanraakte, vielen ze om en konden ze niet meer worden rechtgezet. De man maakte een figuurtje dat op zaterdag met de mensen zou meegaan naar de stad.
Bron
M. Van den Berg, Leuven, 1955
Commentaar
2.2 Tovenaars
antwerps (polders ten noorden van antwerpen)
377
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Woensdrecht   
Plaats van Handelen
Rotterdam   
