Hoofdtekst
M’n broere’s zeune (zoon) Albert is ook nog betoverd geweest, in ’t jaar ’19 ongeveer. Dat was een here, zo’n tovernare, die binnen kwam en je (hij) pakte dat kind vaste en je (hij) speelde d’ermee. Maar asten buiten was dat kind begoste (begon) zo te schrèmen (wenen). En ’t had al zes weken geschrèmd. En ze zijn d’r ton mee naar de pasters geweest en z’hebben ’t belezen en ’t is ’t er deure (erdoor) gekomen. En ze mosten (moesten) zelve ook een novenen lezen (bidden) he.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Nadat een tovenaar met een kind had gespeeld, begon het kind te huilen. Omdat het kind al zes weken lang had gehuild, gingen de ouders naar de paters die het kind overlazen. De ouders moesten zelf ook een noveen bidden. Uiteindelijk is het kind toch genezen.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (kamerlingsambacht)
242
1919
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
