Hoofdtekst
Den ouden dokteur ging een zeken gaan bezoeken en als hij aan ’t Kapelleriebus komt te Wijtschate, en ’t komen daar, ’t was bij nachte, alzo twee gendarmes, en ’t was een vuilen dokteur. Ze peisden da z’een landloper voor handen hadden. Z’hielden hem tegen en ze vroegen alles d’eraan, wuk dat’n dei en wie dat’n was. Zegt’n "Je kut gieder hier è bitje bluven, ‘k gaan ’t morgen komen zeggen, bluuft hier staan toet ok werekeren”! En als hij werekeerde, dat’n de zieken gaan bezoeken hadde zegt’n: "Je meug glin (gij lieden, jullie) nu voort gaan, je wit nu wie da’k zijn”! Dat was Burgrave. Ik heb hem goed gekend en ‘k heb hem zien liggen als hij vermord was, we keken deur de brievenbusse en je lag met z’n armes en ze benen open. ’t Heeft nooit publiek uitgekomen wie dat gedaan hadde, maar z’hebben alle twee zot gekomen.
Onderwerp
SINSAG 0666 - Zauberer bannt an den Ort.   
Beschrijving
Een dokter die altijd slordig gekleed was, ging op een nacht een zieke bezoeken. In het Kapelleriebos in Wijtschate werd de dokter tegengehouden door twee politieagenten die dachten dat hij een landloper was. Toen de agenten de man vroegen wie hij was en waar hij naartoe ging, antwoordde de man: "Jullie kunnen hier een tijdje blijven wachten. Ik zal het morgen komen zeggen. De dokter toverde de twee mannen aan de grond vast, tot hij terugkeerde van zijn ziekenbezoek en zei: "Nu mogen jullie voortgaan. Jullie weten nu wie ik ben".
Op zekere dag werd de dokter vermoord. Men heeft nooit kunnen achterhalen wie de dader was.
Op zekere dag werd de dokter vermoord. Men heeft nooit kunnen achterhalen wie de dader was.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (ieper)
5
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Kapelleriebos (Wijtschate)   
Naam Locatie in Tekst
Voormezele   
Plaats van Handelen
Kapelleriebos (Wijtschate)   
Wijtschate   
