Hoofdtekst
Ich was toen elef jaar, en aan Schalkhoven, doa waren zaagkuilen. Nonk (= oom) ging zagen en hij zei tegen zijn vrouw 'de kinder hebben geen school, ich gon door, want ze stelen het hout. Laat Mária - dat was ich - mich noen brengen, dan kan ze ook wat oprapen.' Het werd duister en het was e lang veld bo ich moes(t) doorgaan, dan moes(t) ich door een wei en doa moes(t) ich door drie stichele (= slagbomen). Aan de joste (= eerste) stichel 'mè wa nu?!' dach(t) ich en mijn haren gingen omhoog, en as ich geen vijftig katten voor mich zag! Aan de tweede stichel zag ich nog altijd maar katten. Aan de derde stichel, nog maar katten! 't Waren ter misschien doezend! Wei (= toen) ich uit de wei was, begon ich te lopen tot aan het joste (= eerste) huis. Doa waren mans (= mannen) aan 't dassen (= dorsen) in de schuur met de vleugel. - 'Wa hèdzje (= hebt ge) aan de hand?' - 'Ich heb wel doezend katten gezien in de wei!' 'Zje zijt gek!' - 'mè, gaat kieke!' En ze gingen met de vleugel, mè de katten vlogen op hen wei (=toen) ze de vleugel gezien hadden. Dat was in de herfs(t) gewees(t) tussen lich(t) en donkel.
Onderwerp
SINSAG 0333 - Spuktier erschreckt Wanderer (und begleitet ihn).   
Beschrijving
Een meisje van elf jaar moest haar oom die in Schalkhoven hout ging zagen, eten brengen. Onderweg moest het meisje voorbij drie slagbomen. Bij de eerste slagboom zag ze wel vijftig katten. Op de tweede slagboom zaten nog meer katten, en bij de derde zag het kind wel duizend katten. Het meisje liep verschrikt verder tot ze bij een schuur kwam, waar enkele mannen aan het dorsen waren. Toen het meisje vertelde wat ze had gezien, geloofde men haar niet. Daarop gingen de mannen met hun dorsvlegel naar de draaiboom, waar alle katten op hen sprongen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Nerem   
Plaats van Handelen
Schalkhoven   
