Hoofdtekst
T’er was enen die leerdegen toveren, en daarvoren moest hij al den ene kant geschoren zijn en als den andere kant moest zijn haar vol pek hangen en hij moest daar zo staan met een zwart henne onder zijnen arm tot als de ruiters passeerden. En als de die passeerden gaven ze hem ne plak op zijn kake (wang) en hij kost toveren! Nu heeft hij nog de naam dat hij kan toveren.
Beschrijving
Een man die wilde leren toveren, moest zijn hoofd aan de ene kant kaal scheren en het aan de andere kant vol pek smeren. De man moest met een zwarte hen onder zijn arm wachten tot er ruiters zouden voorbijrijden. Toen dat gebeurde, kreeg de man een oorveeg. Daarna kon hij toveren.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (denderstreek)
584
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Woubrechtegem   
