Hoofdtekst
Die plaagden oech (= U) overal, die 'Noë'. In Vechmaal waren twie aa minse: enen aa man en een aa vrouw, en die hadden een koe verkoch(t), en het geld in een ander huis geleg(d), en doa zeien ze 'zje moet hem maar tegenhouden!' 'Noë' wis(t) direk dat doa een koe verkoch(t) was, en 's nachts waster (= was hij) doa voor geld te halen. Mè de man van 't huis had de tafel voor de deur gezatte (= gezet) en hij had ene riek gepak(t), en zo maar door de deur gestoken met die riek!... 's Anderendaags liepen doa mannen van de ben(de) met hun haan (= handen) bebonden (sic).
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Een oud echtpaar uit Vechmaal had een koe verkocht en het geld bij iemand anders in bewaring gegeven. De bende van Noë was er achter gekomen en besloot in te breken in het huis waar het geld werd bewaard. De man die in het huis woonde, had de deur echter geblokkeerd met een stoel en hij stak met een mestvork door de deur. De volgende dag hadden de rovers een verband om hun handen.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (tongeren en omstreken)
1129
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Noë   
Naam Locatie in Tekst
Widooie   
Plaats van Handelen
Vechmaal   
