Hoofdtekst
‘k Woonde ik niet verre van Miete Delanghe. Iedereen had benauwd van haar en ’t was niemand die haar gèren (graag) binnenliet. Maar ze kwam zij algelijk (toch) en ze deed toch zovele kwaad aan de mensen. Maar ‘k wisten ik een goed middeltje. ‘k Hadden ik een kruis in zout onder ’t tapijtje gestrooid, aan de deure. Ewè, Miete Delanghe heeft ‘k weten niet hoevele keren geprobeerd van binnen te komen, maar noois of jamais gerocht (geraakte) ze over de matte, hoe dat ze ook probeerde. ’t Zweet stond ’n helft van tijd (soms) zó dikke op haar aanzichte, maar niet binnen he, neen man!
Beschrijving
In Oostende woonde een kwaadaardige heks voor wie iedereen doodsbang was. Een man had met zout een kruisteken onder de deurmat gestrooid. De heks probeerde verschillende malen om binnen te komen, maar dat lukte haar niet. Ze geraakte niet over de mat.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (kamerlingsambacht)
215
fabulaat
De informant hoorde dit verhaal van een zeilmaker.
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
Plaats van Handelen
Oostende   
