Hoofdtekst
Ik hè nog hoeoren vertellen van een boer te Ardooie, die noch noa kerke noch noa kluze gienk. ’s Nachts liepen de peerden los ip zien hof, de ketels (emmers) rammelden en de veisters en deuren kletterden. Je vertelde dat an een geestelijke, die ne keer kwam hoeoren. Je zei wat ne moste doen, mo ‘k ben vergeten wadde. ’t Was wok de skuld van zien noaste gebeuren.
Beschrijving
In Ardooie woonde een ongelovige boer die nooit naar de kerk ging. 's Nachts liepen de paarden van de boer los op het erf en begonnen de kettingen van de ramen en deuren te rammelen. De boer liet een geestelijke komen, die vaststelde dat de schuld bij de buren lag.
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (tielt en izegem)
186
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Izegem   
Plaats van Handelen
Ardooie   
