Hoofdtekst
Groot beest ligt over de weg.Ik en ons moeder 's avonds laat. Me vader werkten in de stad aan de schepen. Hij moest naar huis gaan kommen mee zijn centjes en 't was een uur of tien eer ie thuis was: da was drij uren te voet, ei. "Zijd'er", zei ons moeder. "Ja", zegt ie. "Hedde gewerkt?", zegt ze. "Ja", zegt ie. "Geeft dan maar gauw e centjes, da'k om brood kan gaan." W'hadden op hem gewacht, want w'aaien geen geld om brood te kopen. En dan wij gauw om eten naar Jef Matheesen: daar was onze winkel. En ze lagen al in 't bed. En ik trommelde. "Wie is da?" 'k Zeg: "Stans van Trien." We kregen drij brooien en we kosten gaan eten.Ik kijk om in 't naar huis gaan: ligt er een beest in de straat, zo groot, ik kan 't nie zeggen. "Och, och!" 'k Zeg tegen me moeder: "Wat hoor ik?" 'k Docht dat het bij Jef Matheesen was. Recht over de straat laag het, daar midden in 't karspoor laag het. Wij lopen naar huis. D'r sting daar ene te vrijen. "As ge nauw iet wilt zien", zei ons moeder: "moete naar 't karspoor gaan." Hij zegt tegen Til: "Ga binnen, ik gaan kijken." Maar hij is binnen gesprongen recht deur de deur en de deur laag er af: zo bang was ie.
Beschrijving
Een moeder ging 's avonds met haar dochter naar de winkel om brood te kopen. Haar man, die in de stad aan de schepen werkte, was namelijk net thuisgekomen met zijn loon. Op hun weg naar huis zagen de vrouwen een beest in het midden van de weg liggen, waardoor ze erg bang waren.
Bron
M. Van den Berg, Leuven, 1955
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
antwerps (polders ten noorden van antwerpen)
74
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Zandvliet   
