Hoofdtekst
De bijbel, gevaarlijk toverboek.Op Schooss’hier, hier boven, ’t es hier een groot hof en Rulliesen Aarnout weundege daarop. En Aarnout ha in den Bijbel gelezen.Den Bijbel al lezen, had ie iet gevraagd buiten zijne wete en eigentlijk ’t waren de duvels dien toe ‘kommen waren, op de hof. Jamaar, ie hâ die duvels gevraagd, ie moest ze werk geên. En ie hâ z’al alles doen doen newaar, ie hâ kaf in de messing gegoten en alle soorten, maar da was a’maal op ne van niet gedaan. Su, ie moest ander werk geên. En tan, deur den duur had ie melk in de messing gegoten, maar daar hân ze meer werk mee, zieë ‘t, veur die melk uit de mespoele t’halen. En terbinst had ie keur veur om de paster van de prochie te lopen.Maar de paster moest al van iet weten, want ie kwam hem al tegen onder de bane.En mee d’hulpe van de paster heeft z’ie weg’kregen.
Onderwerp
SINSAG 0751 - Der Zauberlehrling.   
Beschrijving
Op een boerderij had een man in de Bijbel gelezen. De man had iets gevraagd, waardoor er duivels naar de boerderij waren gekomen. De man moest de duivels dan ook werk geven. Hij goot kaf op de mesthoop, maar de duivels hadden alles er in een mum van tijd weer uitgeraapt. Daarna goot de man melk op de mesthoop, zodat hij de gelegenheid had om snel de pastoor te gaan halen. De geestelijke moest er echter al iets van hebben geweten, want de man kwam hem onderweg tegen. Samen met de geestelijke is de man erin geslaagd de duivels te verjagen.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (zuiden)
206
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Schorisse   
