Hoofdtekst
Ons gebuurs vroeger in Tiegem, ’n klein boerderietje –blijk dat er vele zijn hé – hadden ’n klein kindeke die dood was door betoverd te zijn, en ’t noemde Feliciete. En ze beweren dat dat meiske betoverd was en dat was alzo gekomen:Op zekere uren binst den klaren dag ging-t-er in dat huis doorgaans ‘nen witten – ‘k ga ’t zeggen lijk dat ze ’t zeien – vent binnen. En dien witten vent keek naar die moeder en dat kindeke, hij keek en ging voort. En dat gebeurde alzo verschillende keren in ‘ne korte tijd. Ze kenden die vent niet, ze weten niet wie dat ’t was, en ’t is nooit uitgekomen wie. Maar dat kind is gestorven! Zo ze beweren dat dat kind betovers was deur dien vent.En als dat kind gestorven was, ’t hing daar op verschillende tijdstippen in de nacht ’n luchtje in de pereboom. En ze zeien dat dat de geest of de ziele van dat kind of van dien vent was.
Onderwerp
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Op een boerderij in Tiegem kwam op een bepaald uur van de dag altijd een onbekende man met witte haren op bezoek. Die man keek dan altijd naar de boerin en haar kindje. Na een tijd is het kindje gestorven. Men geloofde dat het kind door die man was betoverd. Toen het kind stierf, hingen er allemaal lichtjes in de perenboom. Die lichtjes zouden de ziel van het kind of van die man zijn geweest.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (tussen schelde en leie)
421
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Anzegem   
Plaats van Handelen
Tiegem   
