Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

MNIJS0157_0157_19337

Een sage (mondeling), 1969

Hoofdtekst

De Schaper gienk olle zundag nor huus no Duutsland achter vers goed. Mo nu, de koeier wilde e ki mee. "Je mag gie mee", zei de schaper. Ze gieng(en) weg, mo ze gieng(en) zodanig zere (rap) dan ze van de groend gieng(en). Un ze an de Rijn kwaam, stoend er dor e wit gitje. "Je mag nietent zeggen", zei de schaper tegen de koeier. Nu, ze zetten under ip da gitje, ’t sproenk. "God wat e sproenk", zei de koeier, en je viel in ’t woater. De roa vintjes hielden hem boven woater en smeten hem an den overkaant. Azo verdroenkt ie nie.

Beschrijving

Een schaapherder ging iedere zondag in Duitsland schone kleren halen. Op een zondag wilde de koewachter met de schaapherder meegaan. Toen ze bij de Rijn kwamen, sprak de schaapherder tot de koewachter: "Daar staat een wit geitje. Je moet op dat geitje gaan zitten, maar je mag niets zeggen". De koewachter ging op het geitje zitten, maar schrok toen het dier een grote sprong maakte. Daarop riep de koewachter: "God, wat een sprong!" Het volgende ogenblik lag hij in het water. Hij werd door de rode ventjes boven water gehouden en op de oever gegooid.

Bron

M.-R. Nijsters, Leuven, 1969

Commentaar

2.2 Tovenaars
west-vlaams (nw van houtland)
97.6
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Duitse schaper    Duitse schaper   

Naam Locatie in Tekst

Oudenburg    Oudenburg   

Plaats van Handelen

Duitsland    Duitsland   

Rijn    Rijn