Hoofdtekst
Boerke Maes ha nen domestiek van een joar of twientig. Oet ne er een endeke was, gaf ne hem den sleutel van de poeorte, oemdat ne hem vertrouwde. Den Domestiek kwam ne keer loate in en kreeg de poeorte nie open. Na veel moeite gienk het toch en oet ne de poeorte open dei, passeerde er entwodde langs hem, mo je kost nie zien wadde.De moarte was olle nachten ut bedde gebusteld, ze koste ne meer sloapen. Ze giengen noa de poaters van Tielt en ze kwoamen belezen. De poater zei: “’k Zoe geren de sleutel van diene eerdappelkelder hèn”, want den boer had er in gewist en ’t zat vul puten (kikkers). De poater zei nog: “den eersten die passeert, moe ge anhoeden.” De eersten die voeorbie kwam was den oenderpaster van Ingelmunster. Ze durfden hem nie anhoeden, mo ze mosten van de poater ’s anderendoags. De poater kreeg die sleutel en smeet hem in ’t woater en olmetnekeer gaf het nen luden skrieuw. Het was de skuld van hundren nen eersten domestiek, nen Dutsken skoaper, die dul was omdat de moarte met hem niet wilde vrijen.Er was doa een moarte te Boerke Maesens die geerne boeken las. Iedre keer achter den twoolven, zei er een stemme: “ga sloapen”. “’t Is nog mo twoolve” zei de moarte. “Ga sloapen” zei die stemme were, en de lucht gienk van ’t zelfs ut.Ip nen nacht begosten de koeien te beurelen (loeien, lawaai maken). Ze giengen kieken wuk dat er was, toet drie keeren toe, mo de koeien loagen skoeone te sloapen, iedre keer.Mielke Maes, nen anderen, leerde skoenen moaken te Emelgem. Je kwam ne keer noa hus, over de hoeoge brugge en je zag het branden ip boerke Maesen’s hof. Je gienk ’s anderendoags kieken en er was nieten gebeurd.Ze han een knoape (jonge knecht), en je moste vroagen an de moarte oe ze wilde vrijen met den domestiek, nen Dutsken skoaper. Olle zoateroavende gienk ne voeort noa Dutsland. De knoape wilde meegoan en je moste den volgende zoaterdag en twoalven an de poarte stoan. De knoape begoste nu in zien boeken te lezen en ’t hof kwam vul roare beesten. Oet de skoaper were was bekende de knoape dat ’t hem was. Ze mosten drie zakken groan utgieten in drie kupen melk. De beesten han nu hundre werk en oet het loatste groantje ip was, gaf het nen knal en de beesten woaren weg. Acht doagen erachter hèt die joenge meegegoan noa Dutsland ip nen geetebuk. Je mochte niet spreken. Ze kwoamen an nen groeoten rivier, voeorzeker den Rien: “Hupla” zei de knoape “wuk nen groeoten rivier” en je viel ervan. Oet den Dutsken skoaper were keerde, ladde ne hem ip. De knoape zei were “hupla, wuk ne groeoten sproeng”. De skoaper zei: “ge meugt nu ol zeggen wuk da ge wilt, ’t kan geen kwoad meer.” Ze arriveerden de zundagnuchtend tielijk.
Beschrijving
a) Bij een boer werkte een twintigjarige knecht. Die knecht had van de boer een sleutel van de poort gekregen. Toen de knecht op een avond laat naar huis kwam, kreeg hij de poort vreemd genoeg niet open. Even later lukte het toch, en toen zag de knecht dat iets hem voorbijliep.
b) Een meid werd iedere nacht uit haar bed gesleurd door een vreemde kracht. Toen de paters van Tielt de boerderij kwamen overlezen, vroegen ze de sleutel van de aardapelkelder, die vol kikkers zat. "De eerste die voorbijkomt, moet je tegenhouden", had de pater gezegd. Maar de eerste die voorbijkwam, was de onderpastoor. Toen de pater de sleutel in het water had gegooid, weerklonk er een luide schreeuw. De spokerij werd veroorzaakt door de eerste knecht die op de boerderij had gewerkt. Die knecht was een Duitse schaper. Hij was boos omdat de meid geen relatie met hem wilde.
c) Bij een boer werkte een meid die graag boeken las. Iedere nacht hoorde de meid vlak na twaalf uur een stem die sprak: "Ga slapen". Daarop antwoordde de meid: "Het is nog maar twaalf uur". Vervolgens sprak de stem opnieuw: "Ga slapen". Even later ging het licht vanzelf uit.
d) Op een nacht hoorde een boer zijn koeien loeien. Tot driemaal toe ging de boer kijken in de stal. Telkens wanneer hij daar aankwam, lagen de koeien echter rustig te slapen.
e) Een jongen die in Emelgem voor schoenmaker leerde, wandelde 's avonds naar huis. Onderweg zag de jongen een boerderij in brand staan. De volgende dag was aan die boerderij echter niets vreemds te zien.
f) Op een boerderij werkte een Duitse schaper die iedere zaterdag om middernacht naar huis vloog. Op een dag had de knecht aan de schaper gevraagd of hij een keer mocht meegaan. De knecht moest om twaalf uur bij de poort staan. Omdat de knecht te laat was, was de Duitse schaper echter al vertrokken. De knecht begon in de boeken van de schaper te lezen. Even later zat de boerderij vol vreemde beesten. Toen de schaper terug was, bekende de knecht wat hij had gedaan. De schaper gaf de knecht de raad om drie zakken graan uit te gieten in drie kuipen melk. De beesten hadden dan veel werk om alle graantjes uit de melk te halen. Toen dat gebeurd was, waren, de beesten verdwenen.
Acht dagen later mocht de knecht met de Duitse schaper op een geitenbok meevliegen naar Duitsland. De knecht mocht onderweg niet spreken. Toen ze over de Rijn vlogen, zei de knecht echter: "Wat een grote rivier!" en hij viel op de grond. Op de terugweg nam de Duitse schaper de knecht weer mee. "Wat een grote sprong!" zei de knecht toen weer, waarop de schaper antwoordde: "Je mag nu zeggen wat je wil, het kan geen kwaad meer!"
b) Een meid werd iedere nacht uit haar bed gesleurd door een vreemde kracht. Toen de paters van Tielt de boerderij kwamen overlezen, vroegen ze de sleutel van de aardapelkelder, die vol kikkers zat. "De eerste die voorbijkomt, moet je tegenhouden", had de pater gezegd. Maar de eerste die voorbijkwam, was de onderpastoor. Toen de pater de sleutel in het water had gegooid, weerklonk er een luide schreeuw. De spokerij werd veroorzaakt door de eerste knecht die op de boerderij had gewerkt. Die knecht was een Duitse schaper. Hij was boos omdat de meid geen relatie met hem wilde.
c) Bij een boer werkte een meid die graag boeken las. Iedere nacht hoorde de meid vlak na twaalf uur een stem die sprak: "Ga slapen". Daarop antwoordde de meid: "Het is nog maar twaalf uur". Vervolgens sprak de stem opnieuw: "Ga slapen". Even later ging het licht vanzelf uit.
d) Op een nacht hoorde een boer zijn koeien loeien. Tot driemaal toe ging de boer kijken in de stal. Telkens wanneer hij daar aankwam, lagen de koeien echter rustig te slapen.
e) Een jongen die in Emelgem voor schoenmaker leerde, wandelde 's avonds naar huis. Onderweg zag de jongen een boerderij in brand staan. De volgende dag was aan die boerderij echter niets vreemds te zien.
f) Op een boerderij werkte een Duitse schaper die iedere zaterdag om middernacht naar huis vloog. Op een dag had de knecht aan de schaper gevraagd of hij een keer mocht meegaan. De knecht moest om twaalf uur bij de poort staan. Omdat de knecht te laat was, was de Duitse schaper echter al vertrokken. De knecht begon in de boeken van de schaper te lezen. Even later zat de boerderij vol vreemde beesten. Toen de schaper terug was, bekende de knecht wat hij had gedaan. De schaper gaf de knecht de raad om drie zakken graan uit te gieten in drie kuipen melk. De beesten hadden dan veel werk om alle graantjes uit de melk te halen. Toen dat gebeurd was, waren, de beesten verdwenen.
Acht dagen later mocht de knecht met de Duitse schaper op een geitenbok meevliegen naar Duitsland. De knecht mocht onderweg niet spreken. Toen ze over de Rijn vlogen, zei de knecht echter: "Wat een grote rivier!" en hij viel op de grond. Op de terugweg nam de Duitse schaper de knecht weer mee. "Wat een grote sprong!" zei de knecht toen weer, waarop de schaper antwoordde: "Je mag nu zeggen wat je wil, het kan geen kwaad meer!"
Bron
R. Callens, Leuven, 1968
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (tielt en izegem)
43
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Tielt   
Tielt (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Izegem   
Plaats van Handelen
Duitsland   
Tielt   
Emelgem   
