Hoofdtekst
We waren naar Anzegem gegaan, en we gingen were voortkomen rond ten achten, ten achtenhalf. En ‘k zegge: "Verdomme, wat doet ’t nu op Rugge?" En ‘k zegge: "Ge moet nu ‘ne keer komen kijken!" En ze kwamen buiten, en dat was ’t ene luchtje achter ’t andere, ’t was zuuste lijk regenen, en ze vielen dikke lijk sneeuwvlokken. En dat is waar gebeurd! Ik heb het zelve gezien! En die luchtjes vielen zo dikke, dat we niet dorsten voortkomen. Ja, want ‘k had altijd horen zeggen als er ’n luchtje op de grond valt, dat ’t brandt hé. Maar dat was raar: dat was luchtjes regenen, ge zagt er niet deure, allé, ge zagt er wel deure, want ’t was klaar hé, ah ja, de klaarte van die luchtjes hé. Jamaar, ’t was raar zulle.
Beschrijving
Een man die samen met enkele vrienden omstreeks acht uur 's avonds terugkwam van Anzegem, zag plots lichtjes uit de lucht vallen. De lichtjes waren zo talrijk dat het haast sneeuwvlokjes leken.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
24
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kaster   
Plaats van Handelen
Anzegem   
