Hoofdtekst
Doa was ene jong, die was vatsji (= koeherder) op een wenning (= hoeve), en die moes(t) 's avonds ene mes(t)haak gaan halen bij de smid. Hij kwam terug thuis en doa komt ene weerwolef op hem af, en hij sloeg hem met de mes(t)haak op e kop. Weiter (= toen hij) thuiskomt, gaat er zij(n) bed in e beetsje ternoa komt de knech(t) met hem in 't bed liggen, en toen zagter dat die e koet (= gat) in e kop had. Toen wister dat het ene weerwolef was wa neven hem sliep. 's Anderendaags ging de vatsji dat tegen de boer zeggen; toen he(ef)t de boer hem voertgejaag(t) en op den hôave (= oven) had er zij(n) vel liggen.
Onderwerp
SINSAG 0824 - Die verbrannte Haut (Gurt, Halsband)   
SINSAG 0822 - Werwolf getroffen (geschlagen) nimmt wieder menschliche Gestalt an (und ist erlöst oder stirbt).   
Beschrijving
Een koejongen die op een hoeve werkte, moest 's avonds bij de smid een mesthaak gaan halen. Wanneer de jongen op de terugweg werd aangevallen door een weerwolf, sloeg hij het dier met de mesthaak op de kop. Toen de koejongen ging slapen, zag hij dat de knecht die naast hem sliep, een gat in zijn hoofd had. De volgende dag vertelde de koejongen aan de boer dat de knecht een weerwolf was. Daarop stuurde de boer de knecht weg en gooide diens dierenvel in de oven.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.6 Weerwolven
limburgs (tongeren en omstreken)
1000
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Vreren   
