Hoofdtekst
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de voedselsituatie gaandeweg zeer slecht, vooral in de grote steden. De laatste acht maanden van deze oorlog was er in het westen van Nederland sprake van hongersnood.
Als 13-, 14-jarige jongen heb ik deze periode meegemaakt. Misschien ten gevolge van mijn leeftijd heb ik soms de strijd om aan voedsel te komen als een avontuur beschouwd. Vele jaren later besloot ik een en ander eens op papier te zetten en mijn belevenissen uit die gruwelijke jaren vast te leggen.
Ons gezin bestond uit vader, moeder en vijf jongens, waarvan ik de oudste was. Mijn vader was aannemer en in 1944 was hij 49 jaar oud. Aangezien de Duitse bezetters werkzame mensen dwongen voor hen te werken, had hij zijn persoonsbewijs zo laten veranderen dat de geboortedatum niet 1895 maar 1885 was. Zo kon hij hiermede aantonen dat hij 59 jaar oud was. Al jong was hij kaal en liep enigszins gebogen. De vervalste leeftijd van 59 jaar was dus aannemelijk.
In het najaar van 1944 was de situatie thuis moeilijker. Wat je op de voedselbonnen kon krijgen, werd minder. Met opgroeiende jongens was er nogal wat eten nodig. Mijn vader besloot om met zijn handwagen naar Drente te gaan, een afstand van circa 150 kilometer. Daar waren nog aardappels bij de boeren te koop.
Zo'n reis was niet zonder risico's. Men had de 'spertijd'; dit betekende dat men 's avonds en 's nachts niet op de weg mocht komen. Onderweg moest men onderdak vinden en dikwijls werd het eten door nazi-ambtenaren (landwachters) afgenomen. Doordat men ondervoed was, waren de fysieke krachten minder en de afstanden groot. Bij de eerste reis ging mijn jongere broer mee en zij kwamen na vier dagen lopen in Balkbrug te Drente. Zij hadden het geluk snel een boer te vinden die vijf hectoliter (wij spraken toen van mud) wilde verkopen. In drie dagen werd de terugweg afgelegd en kwamen zij veilig thuis.
Nog tweemaal ging mijn vader naar Drente en zodoende kon ons gezin tot het einde van 1944 met wat meer voedsel rondkomen.
Na de kerstdagen was al het gehaalde voedsel op en besloot mijn vader een nieuwe tocht te maken. De mogelijkheid om naar Drente te gaan werd moeilijker, daar er berichten waren dat er aldaar geen kansen meer waren om aardappelen te bekomen.
Mijn vader had een neef in Aalten, vlakbij de Duitse grens. Deze neef was pastoor van de plaatselijke parochie. Wellicht zouden wij met behulp van deze pastoor wat eten kunnen bemachtigen.
Besloten werd dat mijn vader, mijn jongere broer en ik deze tocht zouden maken. Op nieuwjaarsdag 1945 vertrokken wij uit Utrecht met de handwagen.
Zo'n tocht moet natuurlijk voorbereid worden. De kleding en het schoeisel moeten in orde zijn en er moet eten worden meegenomen voor de reis. Gedurende de oorlog waren de mogelijkheden om kleding en schoeisel te krijgen slecht. Zelf had ik een paar lage schoenen, die verzoold waren met stukken autoband. Dus niet geschikt voor de lange tocht. Ik had maat 39. Mijn vader had nog een paar hoge schoenen maat 44. Met twee paar extra sokken moest ik hiermee op pad. Mijn moeder had van roggemeel en water een stapel pannenkoeken gebakken en in een blikken trommel gingen deze mee als proviant. Met extra truien en een pyjamabroek onder je bovenbroek waren wij gewapend tegen de kou.
's Morgens op nieuwjaarsdag gingen wij op weg vanuit Utrecht. Het was zeer slecht weer en er lag zo'n tien centimeter sneeuw. Met de handwagen trokken wij door Utrecht via De Bilt richting Zeist. Wij wilden toen via Driebergen, Rhenen naar de Achterhoek. In Zeist vernamen wij dat deze route na Rhenen 'gespert' was en besloten wij een noordelijker weg te kiezen. Via Austerlitz gingen wij naar Woudenberg. Zoals vermeld, waren wij met zijn drieën en men kan niet met drie personen een handwagen duwen. Om beurten konden wij in de handwagen liggen om te rusten. De twee anderen duwden dan de wagen.
Het vroor flink en stilliggen in de handwagen was niet prettig. De medegenomen pannenkoeken waren snel bevroren. Eten werd moeilijk. Wij braken een stukje van z'n koek af en lieten dat smelten in de mond, zodat het te kauwen was. Als drinken hadden wij wat surrogaat thee in een thermoskan.
Even voorbij Woudenberg verloor ik een hak van mijn schoen en werd het lopen meer strompelen.
In Scherpenzeel was restaurant De Witte Holevoet en daar konden wij een kop bouillon (gemaakt van blokjes) kopen. Een traktatie!
Verder ging de tocht. Bij Ede mochten wij niet verder, er was juist een huis plat gebrand, mogelijk omdat de bewoners een Engelse soldaat hadden verborgen (wellicht iemand van de operatie bij Oosterbeek - wij vernamen dat deze actie geheel mislukt was).
Na heel veel omwegen kwamen wij in Hoenderlo aan. Het Rode Kruis had een hulppost in een school. Hier kregen wij surrogaatkoffie of thee en konden in een laag stro de nacht doorbrengen. Er waren meerdere 'hongertrekkers' en vele ervaringen werden uitgewisseld.
De volgende morgen konden wij weer verder. Het Rode Kruis had een schoenmaker in Hoenderlo gevonden, die een hak op mijn schoen zette en enkele inlegzooltjes leverde zodat ik wat gemakkelijker liep.
In de buurt van Doesburg trokken wij over de IJssel en konden aldaar bij particulieren slapen. Hier was ook wat eten verkrijgbaar, zodat de bevroren pannenkoeken beward konden worden. Wij trokken verder en werden meerdere malen aangehouden door Duitse ambtenaren. Zij zochten mensen om deze onder dwang aan het werk te zetten in de 'Organisation Todt'. Dit om verdedigingswerken op te zetten. Het vervalste persoonsbewijs bleek heel nuttig te zijn. Via Doetinchem, Westendorp, Varseveld bereikten wij tegen de avond het plaatsje Aalten. Bij een slager vonden wij onderdak. Zij hadden twee kinderen van onze leeftijd en wij, ook nog kinderen, speelden met hen.
Mijn vader zocht zijn neef de pastoor op en deze regelde een hoeveelheid eten.
De volgende dag gingen wij de door de pastoor opgegeven adressen af en verzamelden zo drie mud rogge, één mud tarwe, twee mud aaardappelen en een stuk spek van circa tien kilo. Ook bemachtigden wij bij een plaatselijke bakker drie grote roggebroden.
De volgende morgen vertrokken wij weer. Het afscheid van de kinderen van de slager, waar wij onderdak hdden gevonden, vonden wij jammer. Wij hadden prettig gespeeld en gekletst. Via dezelfde weg keerden wij terug. Met de sneeuw en de nu (gelukkig) zwaardere wagen was het duwen van de wagen veel moeilijker. Omdat wij met zijn drieën niet de wagen konden voortduwen, had mijn vader aan de voorkant een trektouw gemaakt. Om de beurt kon een van ons dan meetrekken.
Enkele malen werden wij door landwachters aangehouden. Gelukkig was het spek aan de onderkant van de wagen verstopt. Voor de aardappelen en andere zaken hadden zij (nog) geen interesse.
Wij overnachtten bij goedwillende particulieren in Doesburg en konden zonder problemen de IJssel oversteken. Weer ging het naar de bekende Rode Kruispost in Hoenderloo en het overnachten in het stro beviel ons best. De handwagen met lading konden wij stallen bij een particulier. Het was niet denkbeeldig dat andere hongertrekkers zich aan de inhoud zouden vergrijpen.
De laatste etappe was aangebroken en onze spanning was groot. Dikwijls werden vlak voor huis nog je spullen afgepakt! Wat was het zwaar, de volgepakte wagen over de heuvels te sjorren. Het werd al donker en wij bereikten De Bilt. Door vele mensen werden wij gewaarschuwd dat bij fort De Bilt de landwachters al het eten werd afgepakt. Via de Voordorpsedijk bereikten wij de boerderij van mijn grootouders aan de Ezeldijk. Heel even gerust en net voor het begin van de 'spertijd' kwamen wij thuis. Met al onze etenswaren!
De ongemakken waren nog niet geheel voorbij. Door het eten van alleen roggebrood op de terugweg hadden wij nog dagenlang last van diaree en dit gevoegd bij de grote vermoeidheid maakte ons zeer slap.
Zoals bekend werd de voedselsituatie steeds slechter. Door de laatste hongertocht konden mijn ouders het nog wel redden. In februari werden evacuaties georganiseerd voor kinderen naar het oosten van Nederland. Mijn broer van tien jaar en ikzelf konden met z'on transport mee en belandden na een moeilijke reis met auto, paard en wagen en lopen bij onze tijdelijke pleegouders in Tilligte, aan de Duitse grens. Net over de grens lag Nordhorn.
Op de Eerste Paasdag was daar onze bevrijding, maar eerst in juni keerden wij terug naar ons gezin. Allen hadden de oorlog doorstaan.
Als nu na zoveel jaren mijn kinderen zeggen: ik heb honger, dan denk ik dikwijls terug aan de hongertochten van weleer.
(B.G.M. Rentinck: Kind in de Tweede Wereldoorlog. Tweede druk. Bilthoven 1999, p.12-14)
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Tweede Wereldoorlog   
Duits   
Austerlitz   
Scherpenzeel   
De Witte Holevoet   
Engels   
Rode Kruis   
Organisation Todt   
Naam Locatie in Tekst
Nederland   
Drente   
Balkbrug   
Aalten   
Utrecht   
De Bilt   
Zeist   
Driebergen   
Rhenen   
Achterhoek   
Woudenberg   
Ede   
Oosterbeek   
Hoenderloo   
Doesburg   
IJssel   
Doetinchem   
Westendorp   
Varsseveld   
Voordorpsedijk   
Ezeldijk   
Tilligte   
Nordhorn   
