Hoofdtekst
Zowel mijn ouders als wij zelf wisten niet waar wij heen zouden gaan. Het bleek dat 's avonds heel laat een autobus gereed stond waarop grote rode kruizen waren geschilderd. Kennelijk had men van de Duitsers vergunning gekregen om in de nacht te reizen en we vertrokken midden in de nacht. Ook nog 's nachts bleken wij in Zwolle te zijn aangekomen. We kregen een sneetje brood en sliepen in een school op strozakken.
De volgende morgen, weer een sneetje brood. De kleinere kinderen en de bagage gingen op een paard en wagen. De grotere, waaronder ik, liepen met de wagen mee. De tocht ging naar het plaatsje Heinoo. Daar aangekomen werden wij bij particulieren ondergebracht. Daar kregen wij overvloedig te eten en verschillende kinderen werden daar ziek van.
Verder ging het de volgende dag, gelukkig nu allemaal op paard en wagen, naar Goor. Daar had men in een wasserij stro in grote houten tobben gelegd en dat was onze slaapplaats. De bovenkleding ging niet uit en 's morgens jeukte het over ons hele lijf van het stro-afval. De volgende morgen trokken wij verder met paard en wagen. Wij kregen per wagen een groot wit laken mee. De betekenis werd pas duidelijk toen een Engels vliegtuig boven ons vloog en dreigend op ons neer dook. Het zwaaien met de lakens deed het vliegtuig weer optrekken.
Tegen donker kwamen wij in Oldenzaal aan. De pleegouders stonden al klaar en de kinderen werden verdeeld over hen. Zowel mijn broer als ik kwamen terecht in Tilligte, een klein dorpje aan de Duitse grens. Mijn pleegvader zette mij achter op zijn fiets en wij vertrokken naar mijn nieuwe tehuis. Mijn broer was ondergebracht bij een buurman van mijn pleegouders. Enkele ons bekende kinderen waren ook in de buurt ondergebracht.
Mijn pleegouders hadden een klein boerderijtje en een klompenmakerij. Er was een dochter van ongeveer tien jaar, en oma was ook in huis.
Snel waren wij ingeburgerd. Zo ver van de drukke wereld was het leven stil, maar niet vervelend. Er was voldoende te eten en wij hielpen de moeren met hun werk. Nauwelijks bemerkten wij iets van de oorlog.
Bij de buurman, waar mijn broer was ondergebracht, hadden ze acht kinderen. Ook was er een volwassen knecht. Al pratende vertelde hij dat hij oorspronkelijk uit Rotterdam kwam. Ik flapte er meteen uit dat hij Duitser was. Zijn dialect had niets Rotterdams. Een dag later kreeg ik bericht dat de pastoor mij verwachtte. Nieuwsgierig ging ik naar het dorpje. De pastoor was heel ernstig en vertelde dat mijn opmerking juist was. De knecht was Rijks-Duitser, maar woonde al jaren voor de oorlog in Nederland. Deze personen moesten alsnog in Duitse militaire dienst. De bedoelde knecht had hier geen zin in. Hij voelde zich Nederlander en was ondergedoken. Onderduiken is een begrip dat toen speciaal was; het had niets met bijvoorbeeld water te maken. Men verstopte zich op een voor de Duitsers onbekend adres om zodoende uit hun handen te blijven. De pastoor dreigde met "hel en andere straffen" als ik mijn mond voorbij wilde praten.
Wij mochten een kaartje invullen van het Rode Kruis met ons nieuwe adres en dit werd naar onze ouders gestuurd. Verder hebben wij geen contact met onze familie in Utrecht gehad.
Eind maart hoorden wij kanongebulder in de verte en op Eerste Paasdag waren de Duitsers uit de buurt vertrokken. Enkele vluchtende Duitse soldaten trachtten nog wat paarden te stelen bij de buurman waar mijn broer woonde. De eerder genoemde Duitse knecht bleek over een vuurwapen te beschikken en kon de Duitsers ontwapenen. De enkele kilometers naar hun land kinden zij te voet afleggen.
De bevrijders kwamen en een levendige ruilhandel ontstond. Groente, aardappelen en eieren voor zeep en sigaretten. Ik had enige jaren op de ULO gezeten en kende wat Engels. Bij de ruilhandel tussen de boeren en de Engelsen kon ik voor tolk spelen. Maar al snel kende iedereen de uitdrukking "sigarettes for eggs".
Wij verlangden naar huis, maar dat duurde nog even. De westelijke helft van Nederland werd eerst op 5 mei bevrijd. Ook was er niet direkt vervoer.
Eerst eind juni werden wij in Engelse legertrucks naar Utrecht vervoerd. Op de Neude was een barak en daar kwamen de ouders ons afhalen. De eerste bekende die ik daar zag was de zuster van een schoolkameraad; zij was al wat ouder en werkte als vrijwilligster bij de opvang.
Wij waren weer thuis. De gehele familie had de oorlog overleefd.
(B.G.M. Rentinck: Kind in de Tweede Wereldoorlog. Tweede druk. Bilthoven 1999, p.9-11)
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Augustijnessen   
Duitsers   
Engels   
Duitser   
Rijks-Duitser   
Nederlander   
Rode Kruis   
ULO   
Engelsen   
Neude   
Naam Locatie in Tekst
Oude Gracht   
Zwolle   
Heino   
Goor   
Oldenzaal   
Tilligte   
Duitsland   
Rotterdam   
Nederland   
Utrecht   
