Hoofdtekst
II -Iemand schou maken ( schrik aanjagen), hebt ge dat nog gedaan?36 P -Ah, ja, ‘k ga het u algauw vertellen. Dat was een beete (raap), een doodshoofd, een beete, een betterave hé. En we sneden daar alboven een schel af en thuns (dan) met een mes haalden we dat daar een heel eind uit.II -Ja. 36 -Twee ogen ingesneden, een neus en de mond en daar een keerse (kaars) ingezet en vaneigens we zetten de betterave in de berm hé, en wij zaten toen hier erop te loeren en erop te kijken. Dat niet slecht voor op een zondag, we ôn (hadden) daar een gezet waar dat nu allez, door Pekemans daar was ook een berm allez, waar dat nu de hoge huizen daar staan. En ‘t kwam daar een af, Gallensen René met zijn vrouw en hij ôt (had) nog een manneken (jongetje) André en daarnaar toe, daarnaar toe en die stalkaars gepakt. Maar we hadden ze vol mensenstront gewreven. Hij smeet ze daar rap ze (hoor). (We lachen.)II -Hij ôt (had) ze vastgepakt ?36 -Ah, ja, hij ging ze pakken hé die kleine moest dat spel hebben hé.II -Dat manneken (jongetje), hoe oud was dat ?36 -Ah, dat moet een kadee geweest zijn. We waren wij snotneuzen van 12 - 13 jaar.I -En van een barmklok, hebt ge daar nog iets van gehoord of zoiets?Ro -Dat is een vogel hé, een barmklok ?I -Dat was ook zo’n toer dat ze lapten hé, weet ge dat?
Beschrijving
Vroeger zetten de kinderen soms een kaars in een uitgeholde biet om voorbijgangers bang te maken.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
36P
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Erwetegem   
