Hoofdtekst
Ene ging gaan naaien. Hare vent ging haar alle dagen tegen. Ze wist zij niet dat hij een berenvel had. Op ne keer dat hij niet afkwam gaat ze alleen naar huis. “Nem, pakt uw bobijne garen mee”, zei de bazin, “als ge vanzeleven ne weerwolf moest tegenkomen.” Ze kwam enen tegen. Ze smeet eerst hare kloef, ze moeten dat verpletteren . Maar hij had ermee gedaan voor dat ze thuis gekomen was. Ze smeet dan haar bobijne. Ze moeten dat verdemeleren newaar. Ze was intussen thuis geraakt. ’s Anderendaags vertelt ze dat aan haar bazin. De vent was erbij en lachte: “Ah van wat dat gij nu toch benauwd hebt.” Ze zag de draden nog in zijn tanden hangen. Natuurlijk is ze er dan van gescheiden.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een vrouw die ergens ging naaien, werd iedere dag tegemoetgekomen door haar verloofde, van wie ze niet wist dat hij een berenvel bezat. Op een dag wandelde de vrouw alleen naar huis omdat ze haar verloofde niet zag aankomen. Die dag kwam de vrouw een weerwolf tegen. Ze gooide haar klomp naar de weerwolf, die het hout moest verbrijzelen. Daarna gooide de vrouw een klos garen, waardoor het beest de draden moest ontwarren. De volgende dag vertelde de vrouw aan haar bazin wat ze had meegemaakt. Haar verloofde stond naast haar en zei: “Waar jij toch bang voor bent!” Terwijl hij lachte, zag men dat hij de draden tussen zijn tanden had.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
474
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Nukerke   
