Hoofdtekst
Diene vent waar da’k van vertelle was jong gestorven. En hij had een kind waar dat hij peetje van ware. Ot (als) hij nu een poze dood was zei da kind dat het zijn peetje gezien had. En dat da nu nog moest gebeuren Mattheeuws, de pasters zoen (zouden) da kind komen uitvragen hé? Ewel tons ook. De pasters vroegen wat dat hij gezien had. ’t En heet niets medalle (hoegenaamd niets) gezeid. En ze hen d’er een messe voor gedaan.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
Een kind beweerde dat het zijn overleden peter had gezien. Toen de pastoors het kind kwamen ondervragen, zei het niets. Men heeft een mis voor de overleden man gedaan.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
220
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oedelem   
