Hoofdtekst
I -En van de weerwolf hebt ge daar nog van gehoord?32 Q-Nee, dat is hetzelfde gelijk dat we daar eerst zeiden de weerwolf iets nietwaar dat ge ook niet verstond, dat verkleed liep en hem daar aan de kant gestoken ôt (had) hé met verkleed in iets in wolf of consoorten en thuns (dan) ... (de informant praat erg onduidelijk en snel.) ik ben van dat ding gebeten of gezeten, een die op hun, ‘t schijnt dat dat ...I -En hebt ge nooit iets gehoord zo van een dat iemand zo een schop gaf of zoiets en dat ze dan zo ‘s anderendaags herkend werden?32 - Ah ja, of dat ze zouden herkend geweest hebben, dat weet ik niet maar met een schaapvel, ja dat zouden ze wel gedaan hebben hé. Ofwel peinsden ze dat dat die was, maar ze durfden dat zelfs niet uitbrengen ook hé, want in die tijd, mensen waren nogal schau (bang) hé over zestig, zeventig jaar.II -Ze waren nog wat schau ook hé.32 -Ja, ja.I -En van een vel dat ze vinden en dat ze in de oven willen doen of zo, hebt ge daar zo nooit iets horen van vertellen, dat ze zo het vel van een weerwolf vinden? 32 -En dat thuns (dan) in de oven verbranden misschien?I -En ze willen dat in een oven verbranden en hij staat daar plotseling bij hen of zo.
Beschrijving
De weerwolf was een man die zich had verkleed en die langs de kant van de weg ging zitten. Wanneer ze door hun slachtoffer werden verwond, konden dergelijke farceurs vaak worden ontmaskerd. De mensen durfden de identiteit van de weerwolf echter meestal niet bekend te maken.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (groot-zottegem)
32Q
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Godveerdegem   
