Hoofdtekst
De oude Tuut was een Waal, en dat was nu eens een ruwe kerel. Die zat eens in 'n herberg te Gelmen (Groot-gelmen) en daar vertelden ze dat daar te halftien altijd een zwarte hond, met een 'ketel' aan, doorkwam. Die Walen zijn 'vieze' mannen, en Tuut zei: 'Dat wil ik zien' en op dat uur ging hij buiten staan. En de hond kwam af en de zware 'ketel' sleepte rammelend over de stenen en Tuut stond daar, maar hij kon geen woord uitbrengen en de hond liep tussen zijn benen door. 't Was of hij wist dat Tuut zo'n grote mond gehad had over hem.
Onderwerp
SINSAG 0883 - Teufel als Hund; hält Sünder Gesellschaft.   
Beschrijving
Op een dag zat Tuut, een Waal, in een herberg in Groot-Gelmen. In de herberg vertelde men dat er elke avond om halftien een zwarte hond met een ketting om de hals voorbijliep. Omdat Tuut een dappere man was, ging hij tegen halftien buiten staan. Toen de hond kwam aangelopen, kon Tuut geen woord uitbrengen van schrik. Het beest was tussen Tuuts benen door gelopen.
Bron
F. Beckers, Leuven, 1947
Commentaar
3.1 Duivels
zuid-limburgs
De hond met de ketting: variante 3
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Tuut   
Waal   
Naam Locatie in Tekst
Mettekoven   
Plaats van Handelen
Groot-Gelmen   
